Zoon Rudi strijdt al jarenlang voor speciale status voor graf van zijn vader uit Leeuwarden, die KNIL-militair was
In dit artikel:
Al meer dan vier jaar probeert Rudi Laurenzo erkenning te krijgen voor het graf van zijn vader Joseph op de Noorderbegraafplaats in Leeuwarden, maar zonder resultaat. Joseph was KNIL-militair van Molukse afkomst die pas eind 1960 naar Nederland kwam nadat hij van Ambon via Nieuw-Guinea vluchtte; het gezin vestigde zich in Leeuwarden omdat hij bij Philips kon werken. Tijdens de oorlog werd hij krijgsgevangen genomen, moest hij onder meer meehelpen aan de bouw van de Birma-spoorlijn en ontving hij postuum vier militaire onderscheidingen.
De inzet richt zich op het geven van een speciale status aan zijn graf: geen grafrechten en geen ruiming, zodat het een blijvend gedenkteken wordt voor wat hij voor Nederland heeft gedaan. Het verzoek volgt ook in bredere context: in april 2021 stelden meer dan honderd burgemeesters een erkenning van het leed van Molukse KNIL-militairen voor aan toenmalig minister-president Mark Rutte — ter gelegenheid van 70 jaar sinds de eerste aankomst van Molukse gezinnen in Nederland — maar die erkenning is niet gekomen. Sommige gemeenten, zoals Smallingerland en Ooststellingwerf, kennen wél beschermde graven toe aan nabestaanden van de eerste generatie KNIL-militairen.
Laurenzo en zijn schoonzoon René Dijkstra stuurden talloze brieven naar burgemeester, college en raadsleden in Leeuwarden, maar kregen nauwelijks inhoudelijke reacties. Pas nadat raadsadviseur Patrick Rijke zich ermee bemoeide, ontstond vorig jaar beweging en een gesprek met wethouder Jacobse volgde, ruim 4,5 jaar na de eerste brief. Het traject ging gepaard met frustratie: Dijkstra ervoer het als van het kastje naar de muur gestuurd worden, en de gemeente opperde onder meer om de naam op het Indisch monument te zetten — een alternatief dat zij niet wenselijk vinden.
De gemeente bracht hen in contact met het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL). Het HCL verklaart af en toe graven tot bijzonder, maar erkent dat hun rol beperkt is; de directeur toonde begrip en wil zich inspannen, maar het definitieve besluit ligt bij college en gemeenteraad. Voor Rudi is tijdsdruk voelbaar: hij hoopt dat de erkenning alsnog komt zolang hij het nog kan meemaken.