'Zoals wij hebben vergeven' in het Onzevader?
In dit artikel:
In Matteüs 6:12 — het Onzevader uit de evangeliën — verschillen moderne Nederlandse Bijbelvertalingen op één woord: de NBV‑vertaling van 2004 heeft een verleden tijd (“wij hebben vergeven”), de herziening NBV21 (2021) gebruikt een tegenwoordige tijd (“wij vergeven”). Nieuwtestamenticus Jan Krans (PThU) bespreekt waarom dat kleine verschil belangrijk is en waarom hij de oude lezing overtuigender vindt.
De kwestie draait om een Griekse werkwoordsvorm: Matteüs gebruikt in dit vers een aoristus. Klassiek gezien geeft die vorm vooral verleden tijd aan, wat de vertaling “wij hebben vergeven” ondersteunt — vandaar ook de keuze in NBV2004 en in oudere Nederlandse vertalingen als de KBS en de Groot Nieuws Bijbel. Tegelijk bestaan er veel handschriften waarin juist een tegenwoordige tijd staat; liturgische tradities en vertalingen als de Statenvertaling en het Onzevader in de kerk klinken daarom vaak als “wij vergeven”. Met moderne tekstkritiek kon worden aangetoond dat de aoristus in oudere handschriften waarschijnlijk de oorspronkelijke tekst van Matteüs is, wat aanleiding gaf tot de vertaalkeuze in eerdere moderne edities.
Een tweede element dat vertalers beïnvloedt, is de moderne taalkundige interpretatie van de aoristus als aspectuele vorm: in plaats van nadrukkelijk verleden tijd zou de aoristus volgens sommige nieuwtestamentici handelingen ‘als geheel’ weergeven zonder tijdsaanduiding — en dus prima kunnen betekenen “zoals wij gewoon zijn te vergeven”. Deze lezing sluit ook aan bij Lucas 11:4, waar expliciet een tegenwoordige tijd staat, en maakt de tekst liturgisch vloeiender. NBV21 koos mede op basis van zulke inzichten voor de tegenwoordige tijd.
Krans pleit ertegen die aspectlezing te verabsoluteren. Hij wijst erop dat het gebruikte werkwoord in Matteüs grammaticaal een gewone aoristus in de indicativus is, inclusief vormelementen die sterk naar verleden tijd wijzen. Hij vraagt zich af waarom Matteüs dan niet gewoon een tegenwoordige tijd had gebruikt als hij een voortdurende houding wilde aanduiden — iets wat Lucas wél deed — en suggereert dat latere kopiisten mogelijk uit gevoeligheid voor de scherpte van de formulering de tegenwoordige tijd invoerden om de tekst te verzachten.
Die scherpte is niet neutraal: de formulering “zoals ook wij hebben vergeven” legt een hardere relatie tussen menselijke en goddelijke vergeving. Krans benadrukt dat Matteüs weliswaar geen verdienmodel van vergeving wil propageren, maar wel een intrinsieke samenhang ziet tussen ontvangen en schenken van vergeving — wie zelf vergeving ontvangen heeft, behoort vergevingsgezind te zijn. In dat licht werkt de verleden tijd goed: niet slechts een algemene eigenschap, maar een concrete handeling of levenshouding die al plaatsvond.
Kortom: Krans vindt grammatica, tekstgeschiedenis en contextsamenhang sterker in het voordeel van “wij hebben vergeven” (NBV2004) dan van de modernere “wij vergeven” (NBV21). De keuze raakt zowel taalkundige nuances (aoristus versus tegenwoordige tijd en aspect) als theologische gevoeligheden over de relatie tussen menselijke en goddelijke vergeving.