Zo bleek maar weer: lokale verkiezingen zijn toch echt andere verkiezingen
In dit artikel:
Bij de gemeenteraadsverkiezingen bleef het algemene beeld dat grote verschuivingen uitbleven: kiezers kozen vooral pragmatisch en lokaal, niet ideologisch. Omdat er feitelijk 430 afzonderlijke wedstrijden waren, ontstond een versnipperd totaalbeeld waarin landelijke kopstukken korte triomfen konden claimen. GroenLinks–PvdA kreeg van de landelijke partijen wel de meeste stemmen, maar dat viel tegen vergeleken met vier jaar geleden toen beide partijen apart meededen; de samengestelde lijst verloor ten opzichte van die som eerder dan dat ze er op vooruitging (min 2,2 procent). De partij versterkte vooral haar positie in steden, terwijl ze terrein verloor op het platteland en in forensenplaatsen — waardoor het CDA alsnog het grootste aantal zetels behaalde, mede omdat in kleinere gemeenten minder stemmen nodig zijn voor een raadzetel.
Opvallend was de algemene stabiliteit: in veel gemeentes wisselden hooguit twee of drie zetels van eigenaar. De lage opkomst lijkt daarvoor verantwoordelijk: vaste, gemotiveerde kiezers bepaalden de uitslag, de zwevende kiezer bleef vaak thuis. Lokale partijen bleven overall de grootste groep, maar die zijn zeer uiteenlopend: van kortstondige actiegroepen tot jaren gevestigde lokale partijen. Ideologie speelt minder een rol; concrete dossiers — zonneparken, rondwegen, de komst van azc’s of jeugdzorg — voeren de boventoon. Dat ‘geen azc’ electorale aantrekkingskracht had boven thema’s als betere jeugdzorg, zet volgens het artikel vragen bij de prioriteiten van kiezers.