Zeilen is vooral leuk vanaf de kant, toch?
In dit artikel:
We zijn te laat, missen de instructie — mijn man en ik schuiven onhandig tussen andere ouders terwijl onze zoon zijn eerste echte les in een Optimist krijgt. In een dun voorjaarsjasje, met een bibberende dochter naast me die naar het toilet moet, zie ik hoe vanaf de kant in korte tijd iedereen helpt: pieletjes in harpjes, lijnen aanslaan, bootjes klaar. Mijn reflex is om in te grijpen, hem van wat ik vermoed een vergissing te redden, maar hij stuurt zelf, voelt de wind en lacht steeds breder.
Die scène zet een reeks herinneringen in gang. Achttien jaar eerder lag ik spartelend in een Laser op De Hoarne, onwetend van termen als ‘schoot’, met mijn zus langs de kant die zich kostelijk vermaakte — toen riep ik nog dat ik nooit meer zou zeilen. Nog eerder varieerden mijn zeilervaringen tussen angst voor de zware houten giek van vaders Bruynzeelvalk, de ‘Blauwbaard’, en het veilige genoegen van vanaf de kade naar klassieke schepen kijken bij de Koninklijke Zeilvereniging Oostergoo of naar de feesttent op het Starteiland tijdens de Sneekweek.
Die oude weerstand verandert nu. Terwijl de zon doorbreekt boven de Belterwijde voel ik plotsklaps waarom anderen zo gepassioneerd zijn: de combinatie van wind, water en de ongeremde vrijheid die je ervan krijgt. In plaats van te blijven roepen dat ik alleen op mijn klapstoel aan de kant wil zitten, schuif ik mijn stoel een stukje dichter naar de zon en kijk — en herken het verlangen waar iedereen het altijd over had.
Marianne Velsink, journalist, geboren in Leeuwarden, woont met haar gezin in Giethoorn.