Wegkruipen in het donker
In dit artikel:
Het griezel- en horrorgenre is geen tijdelijk fenomeen dat alleen opbloeit bij maatschappelijke onrust; het bestaat vrijwel sinds de geboorte van de film en blijft constant aanwezig. Filmkenner Gerard Wolters wijst erop dat al vanaf Georges Méliès’ korte “La Manoir du Diable” (1896) spookachtige scènes op het doek verscheen, en dat griezelverhalen nog daarvoor onderdeel van mondelinge en populaire tradities waren (kampvuurverhalen, spookhuizen, kermisattracties). De gedachte dat horror vooral hoogtij viert in tijden van dreiging — zoals rond de beide wereldoorlogen — is aantrekkelijk, maar de filmhistorie toont vooral continuïteit: horror is altijd verteld en verfilmd.
Tegelijk heeft het genre de laatste jaren aan marktaandeel gewonnen: waar horror een decennium geleden nog onder de 5 procent zat, overschrijdt het nu de 10 procent van de commerciële filmmarkt. Dat maakt het een belangrijke steunpilaar voor de industrie, mede omdat horror doorgaans relatief goedkoop te produceren is. Met beperkte decors en eenvoudige trucages draait het om een strak opgebouwde spanning, doeltreffende cameravoering en donkere sfeer — ogenschijnlijk simpel, maar lastig om goed te realiseren. De Britse Hammer Studios illustreerden met meer dan 150 films tussen de naoorlogse jaren en de jaren zeventig dat vakmanschap achter dit genre essentieel is (denken aan Dracula, The Mummy, Frankenstein).
Franchises geven het genre bovendien nieuwe impulsen: de eerste Scream uit 1996 hernieuwde de interesse, en dertig jaar later trekt Scream 7 nog steeds publiek — ook in Nederland, waar de nieuwe aflevering in onder meer Sneek, Drachten en Leeuwarden draait. Of als verklaring wordt gezocht in het beheersbaar maken van angst, de bevestiging dat het echte leven minder gevaarlijk is, of simpelweg het verlangen naar de kick van spanning: samen griezelen blijft een populair tijdverdrijf. Op streamingplatforms en in bioscopen is er inmiddels wekelijks aanbod voor wie die ervaring zoekt.