Wat is creativiteit nog waard in een tijd van kunstmatige intelligentie?
In dit artikel:
Henk Rigter, medeoprichter van het noordelijke zzp‑collectief Mooiedingenmakers, waarschuwt dat het optimisme rond generatieve AI de creatieve sector bedrieglijk geruststelt. De aanleiding voor de discussie was een campagnebeeld van het Noordelijk Filmfestival in Leeuwarden: een imposant hert onder een sterrenhemel dat later bleek met AI te zijn gemaakt, terwijl een fotograaf binnen korte tijd een vrijwel identieke opname in zijn eigen archief vond. Voor Rigter illustreert die kwestie twee zaken: het weegt op de waarde van makers en het verleidt opdrachtgevers tot gemakzucht.
Sinds de introductie van ChatGPT in 2022 zijn taal‑ en beeldmodellen snel verbeterd. Rigter ziet dat zulke systemen routinetaken automatiseren: eenvoudig vertaalwerk is grotendeels overgenomen door taalmodellen, en fotografen gebruiken AI om bijvoorbeeld snel selecties van bruiloftsfoto’s te maken. Dat scheelt tijd, maar levert volgens hem geen automatische financiële winst voor de maker. “Je moet twee keer zoveel opdrachten doen voor dezelfde inkomsten,” zegt hij — een schets van hoe prijsdruk kan ontstaan als opdrachtgevers de lagere kosten doorberekenen aan creatieve professionals.
Onder de leden van Mooiedingenmakers heerst momenteel een mix van nieuwsgierigheid en nervositeit. Sommige zzp’ers omarmen AI en gebruiken het als efficiëntiehulpmiddel (bijv. voor het opstellen van lastig te formuleren e‑mails), anderen vrezen dat hun onderscheidende kwaliteiten uiteindelijk vervluchtigen zodra de technologie “goed genoeg” wordt. Rigter wijst erop dat veel mensen al tevreden zijn met AI‑teksten: 80‑90% van het publiek vindt die prima, waardoor het lastiger wordt om meerwaarde te verkopen. Hij noemt ook het fenomeen dat AI‑teksten herkenbare stijlkenmerken hebben—korte zinnen, standaardconstructies—maar verwacht dat dat verschil steeds kleiner kan worden.
Economisch maakt Rigter zich zorgen dat de baten van AI vooral naar grotere partijen vloeien. Als iedereen toegang heeft tot dezelfde tools daalt de marktprijs: opdrachtgevers kiezen vaak voor de goedkoopste optie, waardoor zelfstandigen meer opdrachten moeten aannemen om hetzelfde te verdienen. Dat zet creativiteit onder druk en kan leiden tot uitholling van vakmanschap, zelfs als consumenten meer waarde zouden kunnen hechten aan handgemaakt werk.
De toekomst ziet Rigter als een ‘grey zone’: onzeker en meervoudig mogelijk. Hij stelt dat het debat niet alleen over technologie gaat, maar over wie de economische baten krijgt en hoe creatief werk gewaarborgd wordt. Mogelijke routes die buiten de krant besproken worden—en die voor makers relevant zijn—zijn onder meer regelgeving rondom AI‑gebruik, duidelijke bronvermelding of compensatieregels voor auteursrechtelijk materiaal, en collectieve afspraken of keurmerken die eerlijk gebruik en vergoedingen stimuleren. Rigter sluit af zonder eenvoudige oplossingen: AI gebeurt al, maar de vraag blijft hoe creatieve makers daar eerlijk van kunnen profiteren.