Waarom Arnoud uit Oudemirdum zich verdiepte in het personeel van Huize Rijs
In dit artikel:
Streekhistoricus Arnoud van de Ridder uit Oudemirdum heeft een boek geschreven over het personeel van het verdwenen Huize Rijs, waar de adellijke familie Van Swinderen tussen 1834 en 1937 woonde. Zijn doel: de vaak onbekende dienstbodes, koetsiers, tuinmannen, gouvernantes en ambachtslieden een gezicht en plaats in de geschiedenis geven. Van de Ridder reconstrueerde ruim honderd namen en levensverhalen, variërend van flarden informatie tot gedetailleerde levensloopreconstructies.
Enkele persoonlijke voorbeelden illustreren het werk. Over Grietje Hendriks Dijkstra (1893–1968), bij iedereen bekend als “Griet van het Slot”, kon hij alleen geboorte- en overlijdensgegevens terugvinden. Bij Herre Hendriks Dijkstra (1834–1873), koetsier op Huize Rijs, kwam hij een aangrijpend verhaal tegen: in korte tijd stierven drie van zijn kinderen, waarna hij zelf op 7 maart 1873 overleed. Aanvankelijk vermoedde Van de Ridder dat hartenzeer een rol speelde, maar een achterkleinkind wees op longontsteking; mogelijk in verband gebracht met Herres zware werk in weer en wind op de bok van de koets. Van de Ridder blijft terughoudend bij onbevestigde verklaringen en publiceert alleen wat bewijsbaar lijkt, maar erkent dat hij vooral als volksverteller en liefhebber van kleine regionale geschiedenis werkt.
Het personeel is in het boek thematisch ingedeeld: medewerkers binnen in het huishouden (dienstboden, linnenmeiden, keukenhulpen), buitenlui (koetsiers, timmerlieden, jagers, (bos)arbeiders), losse medewerkers (notaris, arts, dominee, leraar) en de hogere huishoudelijke leiding, met de rentmeester aan de top. Een opvallend figuur is rentmeester Otte Jans Luinenburg, lang in dienst van Jan Hendrik Frans Karel van Swinderen — de rijke jonkheer die in de streek de bijnaam “de God van Gaasterland” kreeg. Luinenburgs nageslacht kon anekdotes aanleveren, zoals de brand in zijn woning in 1880 die veroorzaakt werd door een omgevallen olielamp.
Van de Ridder liet zich ook door populaire series als Downton Abbey inspireren, omdat veel verhoudingen en functies in grootgrondbezittersgezinnen vermoedelijk vergelijkbaar waren. Hij benadrukt het zware fysieke werk: koks en huishoudelijk personeel werkten zonder moderne apparatuur vaak veertien tot vijftien uur per dag; buitenpersoneel moest bij grote diners en feesten ook inspringen. Tegelijk bleef het contact tussen familie en personeel doorgaans formeel en op afstand.
Het onderzoek nam circa drie jaar in beslag en baseerde zich op burgerlijke standen, gemeente-archieven, bestaande literatuur over de Friese adel, gesprekken met nazaten en lokale amateurhistorici, en tips die Van de Ridder kreeg na lezingen. Samenwerking met It Fryske Gea—eigenaar van het voormalige Huize Rijs-terrein, waar nu een park ligt—en met familieleden zoals Frédérique Gerlacius van Swinderen leverde aanvullende informatie. Een publiekstip leidde tot het verhaal dat iemands grootmoeder in de huishouding had gewerkt; zulke vondsten benadrukken het belang van mondelinge overlevering.
Als manier om oncontroleerbare maar interessante informatie toch te verwerken, voegde Van de Ridder een fictief verhaal toe (in Nederlands en Fries) over timmerman Jauke en “het geheim van Huize Rijs”. Hij mist nog enkele bronnen, zoals het kasboek met salarissen, bouwtekeningen en teeltplannen, en is nieuwsgierig waar de inboedel van Huize Rijs—verkocht op een veiling in 1936—is beland. Het boek, Huize Rijs en haar personeel, verschijnt met een Friese samenvatting achterin en wordt aanstaande vrijdag gepresenteerd; het is verkrijgbaar via diverse boekhandels en bij de auteur zelf. Van de Ridder wil vooral laten zien dat ook minder bekende mensen substantieel bijdroegen aan regionale geschiedenis.
Vandaag Inside Oranje: Vandaag Inside Oranje-tafel geniet van foute voorspelling Valentijn Driessen: 'Zó overtuigend!'