Waar de school staat is voor een goede keuze net zo belangrijk als waar je wieg staat | LC Commentaar
In dit artikel:
De Staat van het Onderwijs 2026 laat zien dat kansenongelijkheid in Nederland sterk een geografisch karakter heeft: basisscholen op het platteland geven hun leerlingen veel minder vaak een hoger schooladvies op basis van de doorstroomtoets dan scholen in de Randstad, een patroon dat ook in Friesland zichtbaar is. Inspecteur-generaal Alida Oppers wijst erop dat het uitmaakt waar kinderen geboren worden — en dat zou niet zo moeten zijn: wie havo-niveau in zich heeft, mag niet routinematig naar vmbo gestuurd worden.
De verklaring is niet alleen vooringenomenheid van scholen, maar ook praktische realiteit: geschikte middelbare scholen (vooral havo/vwo) liggen op het platteland vaak verder weg, openbaar vervoer is afgeschaald en leerlingenaantallen dalen waardoor scholen verdwijnen. Demografische krimp maakt het financieel en onderwijskundig lastig om kwaliteit dichtbij te houden. De redenering van ouders om voor de dichtstbijzijnde school te kiezen is daardoor begrijpelijk, maar het roept de vraag op waarom er niet creatiever naar oplossingen wordt gekeken — bijvoorbeeld schoolbussen of inzet van taxibedrijven die al rijden voor speciaal onderwijs.
Tegelijkertijd wijst het bericht op een breder politiek thema dat de Raad van State recent aansnijdt: het gebrek aan langetermijnbeleid en het gemis van een “recht op de toekomst”, waarbij ook onderwijs een prioriteit moet zijn. Cruciaaler nog dan bereikbaarheid is het feit dat nog altijd te veel leerlingen de school verlaten zonder de minimale vaardigheden in taal, rekenen en burgerschap — een stille ramp die meer urgente en structurele actie vereist dan nu wordt genomen.