Vlak na de kunstroof in het Drents Museum in Assen geeft hoofdverdachte Jan (20) tienduizenden euro's aan zijn broertje
In dit artikel:
Een jaar na de spectaculaire kraak in het Drents Museum in Assen is het belangrijkste vraagteken nog steeds: waar zijn de gestolen Roemeense topstukken gebleven? Bij de explosieve inbraak in de nacht van 24 op 25 januari werden vitrines van de tentoonstelling “Dacia – Rijk van goud en zilver” met een Ti‑Rex-explosief (275 gram kruit) vernield en verdwenen onder meer de gouden helm van Coțofenești (5e eeuw v.Chr., 725 gram) en drie gouden armbanden. De helm is een nationaal symbool van Roemenië en de diefstal veroorzaakte zowel in Nederland als in Roemenië grote verontwaardiging; de voor de stukken verzekerde waarde bedroeg circa 5,7 miljoen euro.
De overvallers braken een achterdeur los, bliezen die open, sloegen met brute kracht vitrines kapot en profiteerden van een falende rookbeveiliging om snel te vluchten. Ze reden weg in een gestolen Volkswagen, staken die later in brand bij Rolde en stapten over op een andere auto richting vakantiehuisje bij Lunsbergen. Op diverse plekken werden spullen gedumpt: onder andere een voorhamer die gekocht was bij Praxis werd teruggevonden in het water rond het museum. Camerabeelden en DNA‑sporen op achtergelaten kleding en een sporttas verbonden drie mannen met de roof.
Drie hoofdverdachten komen uit Heerhugowaard: Chesley W. (37), gezien als mogelijk ‘bedenker’ van de kraak; Bernhard Z. (35), een oud‑gediende met zware antecedenten; en Jan B. (op het moment van berichtgeving 20–21). Chesley, Bernhard en de vriendin van Chesley werden vier dagen na de roof gearresteerd; Jan werd later opgepakt na een langdurig undercovertraject. Politie vond in de nabijheid van de kraak materialen met DNA‑sporen van de verdachten en glassplinters van de museumvitrines, maar geen spoor van de helm of de armbanden in huizen of het gehuurde vakantieverblijf.
De politie voerde een complexe undercoveroperatie met agenten die zich voordeden als criminele kopers uit Slovenië. Doel was de verdachten zover te krijgen dat zij de locatie van de kostbaarheden prijsgaven. In dat kader werden onder meer financiële transfers geanalyseerd (Jan B. maakte vlak na de roof grote bedragen over naar zijn broer) en werden aan de broer van Jan incentives gegeven om contact te leggen. Agenten lieten Jan sporttassen vol contant geld zien, betaalden hem bedragen om vertrouwen te winnen en gebruikten intimidatie om hem onder druk te zetten. Ondanks bedreigingen en uitputtende verhoorpraktijken bleven de mannen grotendeels zwijgen; hun advocaten klaagden over de harde methoden en over de beslissing van het Openbaar Ministerie om namen en foto’s openbaar te maken.
De juridische vervolging richt zich op inbraak, brandstichting en vernieling, gepleegd in vereniging; vanwege het gebruik van explosieven geldt mogelijk de zogeheten 12‑jaarsgrond voor voorlopige hechtenis. De rechtbank in Assen behandelde de zaak inhoudelijk in april; de rechter liet doorschemeren dat er veel bewijsmateriaal tegen de verdachten ligt, maar concrete bekendmakingen van de locatie van de kunstschatten zijn uitgebleven.
De roof had directe diplomatieke en politieke gevolgen. Roemeense autoriteiten reageerden verontwaardigd, de Roemeense president dreigde met een forse schadeclaim en er vonden directe contacten plaats tussen Nederlandse en Roemeense regeringsfunctionarissen. Interpol, de NCTV en Nederlandse diplomaten raakten betrokken, en er werd een Roemeense taskforce opgezet. Intern ontstond discussie over de beveiliging van de tentoonstelling: documenten wijzen erop dat de twee vitrineopstellingen waarin de topstukken lagen geen sponning hadden en relatief eenvoudig kapot te slaan waren; de verzekeraar stelde vragen over de inbraakwerendheid van het glas. De directie van het Nationaal Historisch Museum in Boekarest gaf vervolgens kritiek op het Drents Museum en de betrokken Roemeense museumdirecteur werd ontslagen, wat tot verdere politieke consternatie leidde.
Wat met de helm en armbanden is gebeurd blijft onderwerp van speculatie. Mogelijke scenario’s variëren van professioneel ontmanteld en omgesmolten goud (waarbij slechts een fractie van de verzekerde waarde zou overblijven) tot verkoop aan een private verzamelaar, gebruik als ruilmiddel of zelfs dumpen in paniek in natuurgebieden. Er is ook geopolitieke theorievorming geweest: de diefstal viel op een nationale feestdag in Roemenië, wat sommige commentatoren aanleiding gaf te wijzen op een doelbewuste actie om onrust te zaaien. Tot nu toe ontbreken harde aanwijzingen voor een van die scenario’s; de Openbaar Ministerie heeft nog geen zicht op de locatie van de stukken.
De zaak illustreert de combinatie van ernstige criminele praktijk (explosieven en grootschalige roof), ingewikkelde opsporingsmethoden (internationaal overleg, undercoverwerk) en gevoelig diplomatiek erfgoedbelang. De culturele en symbolische schade voor Roemenië is groot en de materiële waarde van de verzekeringsclaim blijft boven de verdachten hangen; voor hen kan dat financieel desastreuze gevolgen hebben bij veroordeling. Een jaar na de kraak blijven de gestolen topstukken spoorloos en de zoektocht loopt door, met rechtszaken en internationale samenwerking in het vooruitzicht.