Vijftig jaar later vragen de Moeders van Plaza de Mayo nog steeds aandacht voor hun verdwenen kinderen
In dit artikel:
Elke donderdagmiddag lopen de Moeders van de Plaza de Mayo sinds 30 april 1977 hun ronden op het centrale plein in Buenos Aires om aandacht te vragen voor hun verdwenen kinderen. Dit voorjaar markeren zij bijna de 2.500ste bijeenkomst; de krant vergezelde presidente Carmen Arias (84) bij de 2.499ste ronde. Carmen draagt sinds 2017 officieel de witte hoofddoek en leidt de organisatie sinds eind 2022. Haar persoonlijke motivatie is scherp: haar jongere broer Ángel, lid van het clandestiene Ejército Revolucionario del Pueblo, verdween op 17 mei 1977 en werd nooit teruggevonden.
De beweging ontstond tijdens de laatste Argentijnse militaire dictatuur (1976–1983), een periode van staatsterrorisme waarbij naar schatting 30.000 mensen verdwenen. Omdat samenkomsten verboden waren, begonnen de vrouwen met het lopen van rondjes op het plein — een daad die uitgroeide tot wellicht het langstlopende protest ter wereld. De hoofddoek en de weerkerende mars symboliseren niet alleen rouw, maar ook collectieve eisten om waarheid, gerechtigheid en herinnering.
Arias beschrijft haar betrokkenheid als levenswerk: op 75-jarige leeftijd rondde ze een studie Sociale Wetenschappen af en wijdt haar scriptie aan het familieverhaal en de strijd van haar broer. Tijdens de rondes — precies om half vier — zingt en spreekt de groep, ondanks dat de fysieke kracht slinkt: nationaal zijn er nog maar zeven actieve Moeders. Dat vormt een existentiële zorg; de organisatie zoekt naar manieren om haar geheugen en rol door te geven aan jongere generaties, ook al is het dragen van de hoofddoek en de traditionele rituelen mogelijk kwetsbaar geworden.
De huidige politieke context vormt een nieuwe frontlijn. Carmen stelt: „We leven opnieuw in een dictatuur.” Onder president Javier Milei is er volgens mensenrechtenorganisaties een verontrustende verschuiving: het verbale geweld tegen mensenrechtenactivisten, bezuinigingen op onderwijs en zorg, het uitdrogen van overheidssteun aan organisaties als de Moeders en het Centrum voor Juridische en Sociale Studies (CELS), en het relativiseren of goedpraten van de vorige dictatuur door regeringsgetrouwen. CELS-onderzoeker Marcela Perelman waarschuwt dat de regering mensenrechtsorganisaties stigmatiseert en criminaliseert en dat er een haatdiscours is ontstaan. De Moeders hebben ook persoonlijke aanvallen en bedreigingen moeten incasseren; een door de regering dichtgenaide woordvoerder noemde hen recent „beschamend”, en influencers riepen op tot vijandigheid tegen hen.
De Moeders onderhoudden vanaf de jaren zeventig sterke internationale banden die hun boodschap spraken: Nederlandse journalisten en publieke steun tijdens het WK 1978 hielpen destijds internationaal bewustzijn te creëren en waren volgens Carmen cruciaal om de dictatuur aan het licht te brengen. Dat externe draagvlak maakte later gerechtelijke processen en wereldwijde erkenning mogelijk.
De wekelijkse optocht blijft een mengeling van verdriet, verzet en solidariteit: korte toespraken, lang applaus, leuzen tegen sociale onrechtvaardigheid en expliciete kritiek op het huidige bestuur. Carmen, die geen kinderen heeft en veel familie verloor, zegt te blijven strijden „zolang mijn lichaam het toestaat”: de enige strijd die je verliest, is die je opgeeft. De Moeders proberen naast herinnering ook politieke relevantie te behouden — door te waarschuwen voor hedendaagse dreigingen tegen democratie en door jongeren te mobiliseren om het geheugen en de strijd voort te zetten.