Verbod op 'homogenezing': een onduidelijke maar welkome wet
In dit artikel:
De Eerste Kamer heeft, net als de Tweede Kamer, met een meerderheid ingestemd met een wetsvoorstel dat zogenoemde conversiehandelingen verbiedt: het stelselmatig en indringend proberen te overtuigen van vooral kinderen en kwetsbare personen dat hun genderidentiteit of seksuele gerichtheid ‘niet deugt’. De wet is bedoeld om psychische en fysieke druk die mensen dwingt anders te zijn dan ze zijn tegen te gaan.
Tegelijkertijd roept het voorstel kritiek op. Conservatieve christelijke kringen vrezen beperkingen van godsdienst- en meningsvrijheid: wanneer raakt pastoraal raadgeven of het uitspreken van religieuze opvattingen grensoverschrijdend? De wetsformulering is op belangrijke punten vaag — met name wat onder “stelselmatig en indringend” valt — waardoor zowel beoordeling als bewijsvoering lastiger worden. De Raad van State waarschuwde eerder dat de nieuwe strafbepaling weinig toevoegt aan bestaande mogelijkheden in het strafrecht en dat onvoldoende capaciteit bij het Openbaar Ministerie klachten kan laten blijven liggen, wat het vertrouwen in rechtspraak kan schaden.
Politiek en maatschappelijk wordt de wet deels gezien als symbolisch maar normerend: zij bevestigt dat het ontoelaatbaar is mensen onder druk te zetten over hun identiteit. ChristenUnie-leider Mirjam Bikker stemde tegen vanwege de onduidelijke begrenzing van de verboden praktijk, ondanks het feit dat zij het schadelijke karakter van dwang benadrukt.
De redactie roept kerken en andere gemeenschappen op niet alleen verontrust te reageren, maar te reflecteren op hun eigen omgangsvormen: vormen zij veilige plekken voor geloofsvragen en discussie, met een juiste balans tussen leerstellige overtuiging en zorg voor het individu? De wet legt niet alleen grenzen aan gedrag, maar vraagt ook verantwoordelijkheidsbesef voor de vrijheid van de ander, temeer daar in het verleden veel mensen binnen geloofsgemeenschappen beschadigd zijn geraakt.