Veemgericht legde nooit verantwoording af; logisch, want het heeft nooit gefunctioneerd
In dit artikel:
Amateurhistoricus Hessel Bouma betoogt dat het zogenoemde Friese “veemgericht” — de geheime verzetsrechtbank waarvan verzetsmensen in Noord-Fryslân spreken — nooit daadwerkelijk als rechtbank heeft gefunctioneerd. Zijn kernargument is juridisch en bronkritisch: als zulk een orgaan echt doden- en andere vonnissen had uitgesproken, had het na de bevrijding rekenschap moeten afleggen. Dat is niet gebeurd, en dat gebrek aan verantwoording ziet Bouma als bewijs van niet-bestaan.
Tijdens 1944–1945 gingen veel verzetsmensen in het noorden er wel van uit dat zo’n instantie bestond, maar Bouma wijst erop dat die kennis vooral via twee leiders circuleerde: Anno Houwing (een politieman) en Pieter Wijbenga. Volgens Bouma was Houwing feitelijk de enige schakel tussen de knokploegen en de vermeende rechters: hij bracht aanklachten in en deelde zogenaamd uitgesproken oordelen mee. Buiten Houwing en Wijbenga bestond er naar Bouma’s zeggen niemand die de identiteit van de rechters kon aanwijzen. De term ‘Officier‑Commissaris’ in een notitie van 16 maart 1945 is daarnaast juridisch vreemd en komt verder in het Nederlandse recht niet voor, wat Bouma opmerkelijk vindt.
Bouma onderscheidt het vermeende veemgericht van de zogeheten “Ereraad voor de illegaliteit”, een klein intern college waar in 1944 Houwing, Jan Evenhuis en Siebe Schootstra zittingen hielden over kleinschalige interne vergrijpen (bijvoorbeeld handel met voedselbonnen ten koste van Joden). Ook wijst hij op regionale verschillen: het veemgericht zou alleen in District 8 (Noord‑Fryslân) bekend zijn geweest; verzetsgroepen in Zuid‑Fryslân, Groningen en Drenthe deden niet mee. Conflicten zoals de “Sneker Bloednacht” rond de dood van Geale van der Kooij en de latere verzoeken van verzetsleider Haitze Wiersma illustreren dat men binnen het verzet niet eens was over buitenrechtelijke executies.
Belangrijke punten voor Bouma zijn verder dat enkele vermeende rechters na de oorlog geen verantwoording gaven (onder wie mr. Viehoff) en dat bewijsstukken later door Houwing zijn vernietigd — wat hij als een ernstige juridische fout bestempelt. Bouma concludeert dat, zonder openbare legitimatie, vernietigde dossiers en het ontbreken van onafhankelijke rechtersverklaringen, het veemgericht nooit “in functie” is geweest. De kwestie raakt aan bredere thema’s rond legitimiteit van verzetsoptreden en het belang van documentatie en rechtsverantwoording na de oorlog.