Van wethouder van Vlieland naar Kamerlid. Hoe vergingen de eerste honderd dagen van D66-Kamerlid Marieke Vellinga uit Boazum?
In dit artikel:
Marieke Vellinga (39) uit Boazum, tot voor kort wethouder op Vlieland, blikt terug op haar eerste honderd dagen in de Tweede Kamer. Waar ze als lokaal bestuurder op een eiland met zo’n 1.200 inwoners vooral praktisch moest regelen, zit ze nu drie dagen per week in Den Haag en vertegenwoordigt ze het hele land. In haar gedeelde werkkamer hangen grote dronefoto’s van Vlieland en Terschelling; de band met Friesland en de Wadden blijft duidelijk leidend in haar politieke werk.
Vellinga, voormalig docent Engels en moeder van drie tieners, wisselt doordeweeks tussen Kamerwerk in Den Haag (meestal dinsdag tot en met donderdag) en werkbezoeken of gezinszaken in het noorden. Ze combineert plenaire debatten, fractievergaderingen en petities met bezoeken aan bijvoorbeeld rozenkwekers — haar portefeuille omvat de Wadden, dierenwelzijn, water en tuinbouw. Vooral de Wadden krijgen veel aandacht: Vellinga benadrukt dat eilandgemeenschappen waardevolle voorbeelden bieden van onderlinge zorg en lokale samenwerking, iets waarvan het vaste land kan leren, ook al ziet ze op de eilanden ook sterke ongelijkheden en uitdagingen zoals hoge huizenprijzen en dialectverlies.
De overstap van wethouder naar Kamerlid ervaart ze als een verschuiving van concreet naar meer abstracte politiek, maar even bevredigend. De eerste weken waren intens — ze noemt het een snelkookpan — en ze dook meteen in de dossiers om inhoudelijk mee te kunnen praten. Tuinbouw vergde de meeste inleestijd, al heeft ze persoonlijke binding met de sector: ze komt uit een tuindersfamilie uit Hoogkarspel.
Politiek gezien opereert Vellinga binnen een minderheidscoalitie, wat volgens haar extra samenwerking vraagt, niet per se alleen met VVD en CDA maar breder. Om die verbinding tussen Friese Kamerleden te versterken richtte ze kort na haar installatie het informele ‘Friesvak’ op — een appgroep en lunchafspraken met collega’s als Luciënne Boelsma, Maarten Goudzwaard, Harry Bevers en Habtamu de Hoop. Die gezamenlijke achtergrond moet helpen om Friese belangen en ervaringskennis beter te laten meewegen in Haagse besluitvorming.
Privé-activiteiten zoals het jeu-de-boulesclubje in Bozum zullen door het Kamerrooster waarschijnlijk minder vaak plaatsvinden, al ziet zij zulke dorpsactiviteiten als nuttige plekken voor gesprek en verbinding. Vellinga laat zien dat ze de overgang van lokaal naar landelijk niveau bewust maakt: ze houdt de regio dichtbij, zoekt samenwerking met collega’s uit Friesland en probeert inhoudelijk grondig te werk te gaan in haar nieuwe rollen rondom Wadden, water, dierenwelzijn en tuinbouw.