Van hemellicht naar Helmantel. Soms is het licht van een goddelijke schoonheid
In dit artikel:
Licht vormt een centraal motief in de beeldende kunst: zowel als onderwerp — het goddelijke, het mystieke — als middel om ruimte, diepte en emotie te scheppen. Dat geldt van traditionele doeken tot hedendaagse installaties en openbare kunst die steden veranderen.
In Groningen zetten ontwerpers Krijn Christiaansen en Jeroen Bruls in 2006 het computergestuurde LED-project Scrolling Light op de gevel van het Noorderstation. Het licht reageert op treintijden en was een bewonersinitiatief uit de Selwerderwijk om een onaantrekkelijke plek levendiger te maken. Ook de nachtelijke lichtkunstroute van Groningen bevat werken van Peter Struyken: in de betongrijze parkeergarage op de Ossenmarkt tonen twintig lichtbakken veranderingen in rood, groen en blauw die kleurmengsels oproepen als op een palet. Zulke projecten laten zien hoe lichtkunst publieke ruimtes transformeert en belevingen creëert.
Daan Roosegaarde (1979) zoekt vaak ecologisch verantwoorde oplossingen: zijn Gates of Light op de Afsluitdijk werken door autolampen te reflecteren en maken ’s nachts de architectuur van de sluisdeuren zichtbaar; in Glowing Nature gebruikte hij lichtgevende algen in het Kazemattenmuseum in Kornwerderzand. Dorette Sturm bouwde in Den Bosch een ademende roze wolk (Ademende wolk, 2013) die zacht oplicht en samentrekt, een voorbeeld van licht als tactiele, bijna levende ervaring. Olafur Eliasson creëerde met The Weather Project (2003) in de Turbine Hall van Tate Modern een monumentaliserend lichtfenomeen: een enorme, warm verlichte schijf en spiegel veroorzaakten bij bezoekers religie-achtige ontroering en een tempelachtig gevoel.
Historisch speelt licht sinds lang een leidende rol. Rond 1800 herpositioneerde Caspar David Friedrich natuurlijke lichtverschijnselen — zonsopgangen, maanlicht, halo’s — als mystieke ervaring die de romantiek inspireerde. Rubens zocht in barokke religieuze composities, zoals De aanbidding der herders (1609) in de Sint Pauluskerk in Antwerpen, naar maximale theatrale effecten; licht versterkt daar de dramatiek van het goddelijke narratief. Rembrandt, beïnvloed door theaterbelichting, perfectioneerde clair-obscur: in De engel verschijnt aan Jozef in een droom (1645) gebruikt hij licht als goddelijke openbaring in het duister van de stal. Adam Elsheimer combineerde in zijn nocturnes, waaronder een vlucht-naar-Egypte-scène uit circa 1609, meerdere lichtbronnen — maanlicht, kampvuur en lantaarn — en kreeg lof van tijdgenoten.
Schilderen van licht blijft technisch uitdagend: natuurlijke lichtsterkte overstijgt verftinten, en effectieve weergave vereist veel donker als tegenhanger. Maar kunstenaars gebruiken die beperking om illusies te scheppen die religieuze, poëtische en ruimtelijke ervaringen versterken. Henk Helmantel illustreert een spirituele benadering: in zijn atelier in Westeremden schildert hij uitsluitend in noordelijk daglicht en wil daarmee “laten zien hoe groot de Schepper is; ik wil de dingen tot hun recht laten komen in het van God gegeven licht.” Licht blijft zo zowel medium als thema, in musea, kerken en op straat.