Van barmhartigheid tot rentmeesterschap: christelijk geïnspireerde politiek in de gemeenteraad, hoe doe je dat?

zaterdag, 14 maart 2026 (06:43) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Drie christelijke raadsleden uit Fryslân leggen hoe hun geloof doorwerkt in lokaal beleid en welke praktische keuzes daaruit voortvloeien, in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart.

Carlijn Niesink (ChristenUnie, Leeuwarden) ziet haar christelijke geloof als uitgangspunt voor politieke keuzes: zorg voor elkaar én eigen verantwoordelijkheid moeten hand in hand gaan. Ze gebruikt het bijbelverhaal van de weduwe en Elisa om te benadrukken dat mensen hulp nodig hebben, maar ook zelf iets moeten doen; waar eigen netwerken ontbreken, moet de overheid een vangnet zijn. Niesink richt zich concreet op kwetsbare groepen, zoals mensen in de prostitutie: vanwege mensenhandel, dwang en uitbuiting pleit haar partij voor minder sekswerklocaties in Leeuwarden, strengere controles en uitstapprogramma’s met begeleiding. Daarnaast zitten milieu- en natuurbewuste maatregelen in haar pakket—natuureducatie, spuitvrije zones, aanpak van lichtvervuiling en mogelijkheden voor extensievere landbouw—maar ze erkent dat het lokaal vaak moeilijk kiezen is tussen woningbouw, natuur en landbouw.

Wieke Goudzwaard (CDA, Leeuwarden) noemt rentmeesterschap als belangrijke leidraad en geeft toe dat het CDA zich de laatste jaren meer op milieu en biodiversiteit heeft gericht. Ze zoekt een balans tussen waardering voor boeren en aandacht voor milieu, water en klimaat, en ziet gedeelde verantwoordelijkheid bij boeren, consumenten en beleid. Goudzwaard kwam niet uit een christendemocratisch milieu maar voelde zich bij het CDA thuis vanwege de middenpositionering: ruimte voor eigen initiatief, met overheidsondersteuning voor zwakkeren. Bijbels beeldmateriaal gebruikt ze ook: het boek Job is voor haar aanleiding om altijd te waken voor mensen die door pech of tegenslag buiten de boot vallen, en om niet snel te oordelen dat mensen zelf schuldig zijn aan hun situatie. Politiek hoort volgens haar oorzaken van schulden, verslaving en criminaliteit te zoeken en pijnlijke oplossingen voor te leggen. Daarnaast waardeert ze mantelzorgers en vrijwilligers als praktische belichaming van ‘omzien naar elkaar’.

Heerke Kooistra (SGP, Dantumadiel) belicht hoe de SGP haar christelijke identiteit op lokaal niveau uitwerkt: zondagsharmonie (geen koopzondag als het aan hen ligt) en het gezin als kern van beleid. De partij maakt zich zorgen over individualisering, prestatiedruk op kinderen en de druk op gezinnen waarin beide ouders werken. Kooistra pleit voor gemeentelijke financiering van relatietherapie om echtscheidingen en hun maatschappelijke gevolgen te voorkomen; al wijst hij erop dat de SGP huwelijken tussen man en vrouw als bijbels bedoelt beschouwt, maar dat wettelijke kaders juist gevolgd worden en homo-paren niet uitgesloten mogen worden van dergelijke hulp. Het dossier asielopvang noemt hij ingewikkeld: de Bijbelse plicht om mensen in nood te helpen moet worden afgewogen tegen zorgen over behoud van Nederlandse en christelijke cultuur; de SGP waarschuwt in haar programma voor islamisering, maar erkent dat de gemeente moet voldoen aan opvangverplichtingen.

Samen tonen de drie politici hoe christelijke waarden—zorg voor de naaste, rentmeesterschap en het gezin—op verschillende manieren vertaald worden naar lokaal beleid, en welke spanningsvelden daarbij ontstaan: tussen hulp en eigen verantwoordelijkheid, tussen natuur en woningbouw, en tussen gastvrijheid en identiteitsbehoud.