Tygo (22) uit Drachten zou een 'kasplantje' worden, maar ontwikkelt zich nu als sportjournalist. 'Leg de lat graag hoog voor mezelf'
In dit artikel:
Tygo Bekkema (22) uit Drachten is een gedreven sportjournalist in opleiding die zijn droom probeert te verwezenlijken ondanks cerebrale parese en het leven in een rolstoel. Hij werd te vroeg geboren (na 28 weken) en verloor zijn tweelingbroer bij de geboorte; artsen voorspelden dat hij het moeilijk zou krijgen, maar Bekkema ontwikkelde een flinke ambitie. Al op jonge leeftijd wilde hij het woord voeren over sport, en inmiddels volgt hij een stage op de sportredactie van het Algemeen Dagblad. Vanuit Drachten reist hij drie keer per week met een taxibus naar Rotterdam en brengt daarnaast ervaring mee van autosportsites en een toonaangevend tennismedium. Zijn debuut als verslaggever was tijdens de Davis Cup in Groningen (september 2025).
Zijn passie voor sport is groot: in goede periodes kijkt hij acht tot tien uur per dag naar allerlei disciplines en wil vooral schrijven over sport, niet over zijn beperking. Tegelijkertijd botst hij keer op keer op fysieke en mentale drempels in de sportwereld en de media. Persruimtes, perstribunes en toegangsroutes zijn vaak ontoegankelijk, op veldniveau kan hij moeilijk komen, en reizen naar reportagelocaties is zwaar en complex. Bekkema erkent realistisch: „Ik ben me ervan bewust dat de wereld niet op mij is ingericht.” Die constatering toont zijn pragmatische instelling, maar ook de belemmering die werkgevers soms opleggen.
Hij heeft persoonlijke voorbeelden van discriminatie en subtiele afwijzing. Voor een mbo-stage bleek een mediabedrijf aanvankelijk enthousiast tot ze bij het gesprek zagen dat hij in een rolstoel zat; later kreeg hij te horen dat hij te ‘soft’ en niet mobiel genoeg zou zijn. Bij persgelegenheden vragen collega’s hem ongefilterd naar zijn afwijking en soms voelt hij dat keuzes voor werkzaamheden meer praktisch dan inhoudelijk worden gemaakt — werkgevers kiezen sneller iemand zonder extra aanpassingen nodig te hebben. Dat maakt het voor hem moeilijk om op locatie belangrijke wedstijden zoals de Grand Slams te verslaan; hij verwacht dat gevestigde media daar praktisch gezien sneller voor een ander kiezen.
Bekkema ervaart ook eenzaamheid: hij kent geen andere sportjournalist met een vergelijkbare situatie. Hij hekelt de manier waarop inclusie vaak wordt ingevuld: uitnodigingen aan mensen met een beperking gaan volgens hem meestal over de beperking zelf in plaats van over vakinhoudelijke bijdrage. Hij wil vooral serieus genomen worden als sportverslaggever.
Af en toe zijn er ook warme, menselijke momenten die de ongemakkelijkheden doorbreken. Na een interview met olympisch zwemster Kira Toussaint moesten ze een deuropening opzij wrikken zodat hij naar binnen kon; later duwde zij hem lachend door een parkje — een klein, surrealistisch gebaar dat typerend is voor de mix van praktische obstakels en persoonlijke verbindingen in zijn zoektocht naar een plek in de sportjournalistiek.
Kortom: Bekkema heeft talent en ambitie, maar stuit op structurele toegankelijkheidsproblemen en attitudebarrières binnen de sportmedia. Zijn verhaal illustreert zowel de noodzaak van praktische aanpassingen (toegankelijke persruimtes, vervoer en veldtoegang) als van een cultuurverandering waarin vakinhoud en toegankelijkheid gelijkwaardig worden gewogen.