Trekvogelecoloog Theunis Piersma: 'Als je met een ingenieursblik naar de natuur kijkt wurg je de ziel uit de biologie'

dinsdag, 7 april 2026 (19:14) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Theunis Piersma (1958) neemt na een halve eeuw wetenschappelijk werk afscheid van de universiteit. De Friese trekvogelecoloog, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en nauw samenwerkend met NIOZ, bouwde een wereldwijde reputatie op met onderzoek naar migratieroutes (global flyways) en de rol van voeding, klimaat en omgeving in het voortbestaan van trekvogels. Vanuit zijn woning in Gaast blikt hij terug: waar vroeger tienduizenden grutto’s vlogen, zijn het nu hoogstens tientallen — voor hem een symptoom van wat hij noemt de “Grote Vergiftiging van Nederland”.

Piersma maakte naam door langdurig individuen te volgen en te zenderen. Iconisch is het verhaal van de lepelaar Sinagote: decennialang gevolgd, aangewezen als bewijs dat migratieroutes niet simpelweg in DNA geprogrammeerd zijn maar geleerd worden via sociale interacties. Met behulp van zenderonderzoek toonde zijn team aan dat jonge lepelaars hun overwinteringsplek vaak kiezen op basis van meegevlogen oudere vogels, niet op basis van erfelijke blauwdrukken. Deze empirische benadering — “phenotype first” — kreeg financiële ruimte dankzij de Spinozapremie (2014), waarmee hij langdurige veldstudies kon uitvoeren die volgens hem onmisbaar zijn voor goed begrip van gedrag en migratie.

Wetenschappelijk pleit Piersma tegen genetisch reductionisme en kartesiaanse tweedelingen (mens versus dier, natuur versus cultuur). Hij verwijst naar denkers en onderzoekers als Susan Oyama en Eva Jablonka & Marion Lamb om te onderstrepen dat ontwikkeling en overerving meer zijn dan genen alleen: epigenetica, gedrag en communicatie spelen eveneens een wezenlijke rol. Dergelijke inzichten vormen volgens hem onderdeel van een revolutie in de biologie: dieren laten flexibiliteit en “bezieling” zien en reageren op dezelfde veranderende omgeving als mensen. Het “one health”-idee, dat gezondheid van mens, dier en milieu met elkaar verbindt, past in die bredere kijk.

Piersma is kritisch op de moderne universiteitscultuur: te veel bureaucratie, kortetermijndenken en een ingenieursblik die biologisch gedrag reduceert tot doelmatig ontwerp. Hij benadrukt dat goed onderzoek tijd en ruimte vergt en moedigt promovendi aan risico’s te nemen en eigen wegen te zoeken. Om interdisciplinair denken te stimuleren richtte hij BirdEyes op, een centrum in Leeuwarden waar wetenschappers en kunstenaars samen vogeltrek bestuderen — een bewuste poging om kunst en wetenschap te laten overlappen.

Persoonlijke elementen kleuren zijn afscheid: de pijn over het verdwijnende landschap, de troost van boeken en van nieuwe huisgenoten zoals gierzwaluwen die in nestkasten op zolder broeden, en de samenwerking met partner Petra de Goeij in lopende projecten als Project Lepelaar. Hij ziet technologie en machines — zenders, data-analyse, AI — als nuttige instrumenten, maar waarschuwt dat ze niet mogen vervangen wat hij “bezieling” noemt; AI is nuttig zolang men begrijpt hoe en waarom het wordt ingezet, niet als vervanging van empathisch veldwerk.

Piersma hoopt dat universiteiten blijven investeren in langetermijnonderzoek en dat BirdEyes een opvolger krijgt die hetzelfde brede, relationele perspectief koestert. Zijn boodschap is tweeledig: de natuur is dynamisch en relationaler dan vaak wordt aangenomen, en de wetenschap moet die complexiteit durven erkennen door tijd, ruimte en interdisciplinariteit te geven aan onderzoek — anders verliezen we zowel kennis als verbondenheid met het levende landschap.