Terrorismeverdachte uit Friesland bewaarde vuurwapens in gezinshuis. 'Verdient niet de schoonheidsprijs'

woensdag, 15 april 2026 (18:57) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Op 11 juni 2025 viel de Dienst Speciale Interventies een gezinshuis op het platteland in Friesland binnen. In het huis lagen meerdere vuurwapens, munitie, portofoons en in een afsluitbare loods vijf flessen castorbonen en een aanwijzing hoe het dodelijke ricine te maken — vondsten die onderdeel blijken van het strafrechtelijk onderzoek ‘Barracuda’. De gezinshuisvader werd direct aangehouden; in het huis sliepen toen drie jongeren van 8 tot 19 jaar die soms al jaren daar verbleven.

Het openbaar ministerie ziet de vader als een belangrijke schakel in een groep ‘soevereinen’ die mogelijk aanslagen voorbereidden rond de NAVO-top in juni 2025. Volgens justitie duiden opgenomen gesprekken en contacten met andere radicaliserende mannen op samenspanning en voorbereidingshandelingen. De vader ontkent plannen voor geweld en zegt de wapens alleen voor de bescherming van zijn gezin te hebben gehad; hij verbleef ruim acht maanden in voorlopige hechtenis in Vught en is inmiddels op voorwaarden vrijgelaten.

Direct na de inval ontstond onduidelijkheid over wat precies was aangetroffen. De Friese gezinshuisorganisatie (de hoofdaannemer), de gemeente Leeuwarden, Sociaal Domein Fryslân, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid besloten in de weken na de aanhouding — mede omdat er weinig betrouwbare informatie van politie en OM kwam en omdat spoedplaatsten traumatisch zijn en alternatieven schaars — de drie kinderen voorlopig in het gezinshuis te laten. Pas bij de voorbereidende zitting in september kreeg de hoofdaannemer duidelijker beeld: twee vuurwapens lagen in keukenkastjes binnen handbereik, andere wapens werden in auto, container en een afgesloten badkamer gevonden. Dat leidde tot beëindiging van het contract met de gezinshuismoeder; de jongeren zijn in februari–maart 2026 overgeplaatst, deels herenigd met ouders.

De zaak roept vragen op over informatie-uitwisseling en screening: de hoofdaannemer had acht maanden vóór de inval voor beide gezinshuisouders een Verklaring Omtrent Gedrag aangevraagd, die zonder bezwaar werd afgegeven, terwijl er bij justitie en inlichtingendiensten al signalen waren over contacten en handel in vuurwapens. Het Openbaar Ministerie weigert uit privacyoverwegingen inhoudelijk op die punten te reageren. Betrokken instanties benadrukken dat de veiligheid van de jongeren leidend was en dat de overplaatsingen door gedragswetenschap­pers begeleid zijn.

De publicatie plaatst deze zaak in een breder kader van zorgen rond gezinshuizen in het noorden van Nederland — eerdere meldingen over mishandeling en plotselinge uithuisplaatsingen illustreren schaarste aan geschikte opvangplekken en de kwetsbaarheid van kinderen wanneer de verzorgende omgeving plots wegvalt.