Stoere wetten zijn in de woningcrisis vaak niet het effectiefst
In dit artikel:
De nieuwe huurwet van 2024 wordt alweer bijgesteld: woonminister Elanor Boekholt-O’Sullivan presenteerde een pakket wijzigingen dat deels per 1 januari 2027 moet ingaan. De aanpassingen – deels voortgezet door voorstellen van het vorige kabinet – maken onder meer uitzonderingen mogelijk op de maximale huurprijs en laten tijdelijk huurcontracten voor studentenhuisvesting weer toe.
De heropening van de wet is opmerkelijk omdat eerder de Raad van State waarschuwde voor nare neveneffecten. Dat beeld werd bevestigd: door de strenge regels verloor de particuliere huursector rendement, zakte de markt in en kromp het woningaanbod, zoals ook critici en verhuurders voorspelden. Het artikel waarschuwt dat stevige wetgeving soms averechts werkt; complexe dossiers als de woningmarkt reageren vaak onvoorspelbaar wanneer je op één plek ingrijpt.
Het huidige pakket kiest bewust voor kleinschalige, doelgerichte maatregelen in plaats van grootse plannen. Praktische stappen zijn het versoepelen van regels voor kamer- en hospitaverhuur, het vergemakkelijken van optoppen en splitsen van woningen, en het instellen van een pool ambtenaren om gemeenten te helpen bouwvergunningen sneller af te handelen. Die laatste maatregel raakt een kernprobleem: veel vertraging ontstaat door de lange doorlooptijden voor vergunningen die door de overheid zelf worden veroorzaakt.
De redactie pleit voor pragmatische ingrepen met snel effect en adviseert dat na dit pakket ook fiscale prikkels die prijzen opstuwen onder de loep moeten worden genomen. Grote projecten zoals de belofte van tien nieuwe steden of woningbouw op Marker- en IJsselmeer leveren pas over jaren resultaat en kunnen op termijn tot overproductie leiden. Kleinere, directe knoppen draaien lijkt volgens het stuk verstandiger om de tekorten daadwerkelijk te beperken.