Statige huizen en weelderige tuinen aan het water: Kollum leek rond 1800 op de Vechtstreek
In dit artikel:
In de tweede helft van de achttiende eeuw veranderde Kollum van een gewoon dorp in een plek waar rijke families indrukwekkende buitenplaatsen en parkachtige tuinen aanlegden tot aan de Strobosser Trekfeart. De expositie in Museum Mr. Andreae (23 mei–31 oktober) belicht deze periode en legt uit waarom juist Kollum zo in trek was.
De trekvaart, gegraven tussen 1654 en 1656 op initiatief van Dokkum en met steun van stadhouder Willem Frederik, maakte Kollum beter ontsloten: de verbinding naar Leeuwarden, Dokkum en Groningen versterkte economische en sociale aantrekkingskracht. Ook de ligging van Kollum — op de overgang van klei naar zand en vroeger veen, aan de rand van de Friese Wouden — bleek gunstig voor grondbezit en representatieve buitenplaatsen.
Rondom Kollum stonden enkele invloedrijke boerengeslachten centraal: Bootsma, Broersma, Rosema en Tadema. Door strategische huwelijken onderling en met Friese adellijke families groeide hun grondbezit sterk. Fogelsanghstate in Feankleaster speelde daarbij een verbindende rol; huwelijken tussen bewoners van die state en Kollumer families vergrootten het landbezit van beide partijen.
Drie mannen illustreren de ontwikkeling: Martinus van Scheltinga (1744–1820), Eyso de Wendt (1718–1780) en Willem Livius van Bouricius (1746–1793). Martinus erfde omvangrijke landerijen en wilde Bootsmastate uitbouwen tot een voorname buitenplaats; die plannen strandden deels door de politieke omwentelingen rond 1795. Zijn zuster Lucia Catharina realiseerde wel Huize Vaartzicht (aan de Trekfeart bij Oudwoude) met een lange oprijlaan. Eyso de Wendt keerde rijk terug uit de Aziatische handel — onder andere als supercargo en aandeelhouder in handelsondernemingen — en liet in Kollum Oostenburg en het park de Steenenberg aanleggen. Willem Livius van Bouricius bouwde nabij Kollum een statig huis op de plek van de vroegere Jeppemastate; hij stierf tijdens de vierde Engelse Oorlog toen zijn schip De Dwinger in brand vloog. De familieverbanden tussen deze heren tonen hoe de lokale elite nauw verweven was.
Tuinaanleg en esthetiek weerspiegelden eerst de Franse mode: symmetrie, rechte lanen, formele vakindelingen en strak gesnoeide hagen — een uitdrukking van macht en beheersing over de natuur. Voorbeelden van buitenplaatsen met zulke tuinen zijn Vaartzicht, Braak, Nijenburgh, Oostenburg en de plannen rond Scheltinga. In het begin van de negentiende eeuw vond geleidelijk de omslag plaats naar de Engelse landschapstraditie: natuurlijke heuvels, onregelmatige vijvers en slingerpaden kregen de voorkeur. Enkele Kollumse tuinen werden aangepast aan deze nieuwe smaak.
De achttiende-eeuwse bloei was van korte duur. De Franse Revolutie en de daaropvolgende Franse Tijd (begin jaren 1790) en maatschappelijke veranderingen verstoorden de traditionele machtsverhoudingen. In de negentiende eeuw verdwenen veel van de statige huizen en parken — Vaartzicht (gebouwd 1783, gesloopt 1877), Braak (gesticht 1777, kort daarna afgebroken) en Nijenburgh (1780–1875) werden van de kaart geveegd. Twee voorname huizen uit latere jaren bleven wel bewaard: Huize Sytzama (1806), dat nu als restaurant fungeert, en Huis Philippusfenne (1847) met een grote Engelse tuin ontworpen door Lucas Piters Roodbaard.
De tentoonstelling in Museum Mr. Andreae plaatst deze lokale bouw- en tuinhistorie in de bredere context van de Verlichting en de politieke omwentelingen in Europa: ideeën van Voltaire, Rousseau en anderen bereikten ook de Nederlandse elite en beïnvloedden opvattingen over macht, bezit en smaak — veranderingen die samen vielen met de opkomst en het verval van de Kollumse buitenplaatsen.
Praktisch: de expositie "De Friese Vechtstreek – Waarom zoveel buitenplaatsen met park in en rond Kollum" is te zien in Museum Mr. Andreae aan de Oostenburgstraat in Kollum van 23 mei tot en met 31 oktober, geopend woensdag t/m zaterdag van 14.00–17.00 uur.