Sjoele, dat is sa Nederlânsk as it mar kin. Miende ik | column Pieter Zijlstra
In dit artikel:
De schrijver voelt zich rond Koningsdag vaker ‘Nederlands’ dan anders, met warme herinneringen aan dorpse optochten, spelletjes als koek happen en steltenlopen, later trompet spelen in het korps en vrijmarkten en grachtenfeesten in Leeuwarden en Groningen. Dit jaar moet hij het feest echter missen omdat hij een stage in Brussel loopt; sinds de Belgische onafhankelijkheid van 1830 is de verjaardag van de Nederlandse koning daar geen vrije dag.
Toch leeft Koningsdag ook in het buitenland: buitenlandse vrienden kennen de beelden van oranjeboten en sommigen reizen bewust naar Amsterdam om het mee te maken. De schrijver vergelijkt die Nederlandse uitbundigheid met de veel kalmere nationale vieringen elders — Duitse Eenheidsdag, de Franse 14 juli of de Zweedse vlaggenda — waar grootschalige straatfestiviteiten minder vanzelfsprekend zijn.
Omdat hij het feest niet kan bijwonen, organiseert hij een eigen Koningsdag in Brussel voor internationale collega’s. Hij wil het vieren met typisch Nederlandse spelletjes en wil daarom een sjoelbak huren; sjoelen roept voor hem ‘oud-Hollands’ beeld op. Tot zijn verrassing blijkt sjoelen in België ook bekend: Vlamingen speelden het vaak in cafés, en er zijn sjoelbakken te vinden — hij wil er een uit Mechelen halen omdat verhuur in Brussel ontbreekt. In Franstalig Brussel speelt sjoelen minder een rol; Franstaligen noemden het zelfs billard hollandais, wat de schrijver als bewijs ziet dat het spel toch als Nederlands wordt herkend.
Kortom: Koningsdag blijft verbinden en roept nationale nostalgie op, ook ver van huis. De schrijver zoekt manieren om die verbondenheid in Brussel levend te houden door een eigen feestje met sjoelen en Nederlandse tradities.