Schoonheid in zorgelijke natuurtijden: zomerexpositie in de Martinikerk in Franeker
In dit artikel:
In de middeleeuwse Martinikerk in Franeker is de jaarlijkse zomerexpositie van galerie De Roos van Tudor opnieuw geopend. Anita van Os, die de tentoonstelling al decennialang organiseert (mogelijk voor de dertigste keer), verzamelde zestien kunstenaars die met ongeveer 125 werken het thema “Nature is calling” verkennen: een lofzang op de natuur, maar ook een waarschuwing over haar kwetsbare positie. De expositie is te zien tot 30 augustus (Breedeplaats 2, Franeker; openingstijden op roosvantudor.nl/martinikerk).
De deelnemende kunstenaars benaderen natuur en bedreiging op uiteenlopende manieren. Maartje Roos presenteert fotografische portretten van wat zij “levend erfgoed” noemt: zeldzame dieren zoals het Bonte Bentheimer varken Olivia, de geit Pier en nieuw toegevoegd een hyacinthduif en een haan van het vrijwel verdwenen Friese hoen. De haan is bewust geplaatst in een keukensetting die de kijker subtiel doet denken aan de gevaren voor zulke rassen. José Witteveen contrasteert met acht anonieme vogels tegen een diepzwarte achtergrond; hun fragiele houding wekt onzekerheid over hun toekomst.
Vogelmotieven komen op meerdere plaatsen terug. Rafael Martig debuteert in de kerk met kleurrijke kleurenhoutsneden van in formatie vliegende kluten, eidereenden en smienten, en compacte aquarellen van ijsvogel en bontbekplevier die de diversiteit en schoonheid van vogelwereld benadrukken. Landschaps- en waterplantenkunst is vertegenwoordigd door nieuw werk van Danielle Vidal-Ausseil (serie The floating world), waarin abstracte, drijvende blad- en wierstructuren een levendig oppervlak vormen, en door Machteld Schouten, die met inkt en spiegelingen een intrigerend waterlandschap neerzet.
Sommige werken roepen verdeeldheid op. Erik de Boer toont expressieve landschappen maar ook assemblages die door de recensent als flauw worden ervaren: rijtjes houten olifantjes met gouden schroefslagtanden en een “Musical Tragedy” van een doorgezaagde accordeon bedolven onder uiteenlopende objecten, waaronder seksspeeltjes. Catrinus Spinder brengt in zijn serie Blue zowel scènes rond een beklagenswaardige Christusfiguur als reeksen Delftsblauwe ‘totems’—hoog opgetaste combinaties van dieren—die het ene publiek verbindt en het andere als kitsch afwijst.
Er is ook poëtische natuurobservatie: Jerry Veldhuizen laat een uitbundige “red trembling tree” zien, Christiaan Kuitwaard kiest voor verstilde bosgezichten, en Ton Bouchier keert terug met zijn kleine, ietwat hulpeloze mannetjes die symbolisch omgaan met een natuurlijke omgeving die al in bloei staat. Hoogtepunt zijn de subtiele etsen van Jóna Rasmussen (Faeröer eilanden): met weinig lijnen en soms preegdruk wekt zij indrukken op van golvende zeeën en afgelegen eilanden, waarbij reliëf in het papier de suggestie van wateroppervlak versterkt.
Alles bij elkaar biedt de tentoonstelling een breed palet aan technieken en visies — van uitbundig kleurgebruik tot ingetogen minimalisme — waarin steeds de zorg om de natuur doorklinkt. In een tijd van ecologische zorgen fungeert de kunst hier als spiegel en troost: schoonheid nodigt uit tot bezinning over het behoud van wat bedreigd is.