Rob Jonkman (65) is de langstzittende wethouder van Friesland. Hoe zag hij het ambt veranderen?
In dit artikel:
Rob Jonkman (65) is sinds 2010 wethouder voor de ChristenUnie in Opsterland en met 16 jaar de langstzittende wethouder in de provincie. Gevestigd in Beetsterzwaag en woonachtig in Siegerswoude, beheert hij onder meer de gemeentefinanciën en Europa-portefeuille. Hij zegt zichzelf gekscherend een "plucheplakker pur sang" te noemen en staat, mocht zijn partij na de verkiezingen weer in de coalitie terechtkomen, open om nóg een periode door te gaan.
Zijn carrière kent een leerzaam begin: als nieuweling kreeg hij te horen dat een dossier rond de heropening van het Polderhoofdkanaal hem vroeg of laat zou breken. Die waarschuwing maakte hem scherper en leerde hem dat een wethouderschap elk moment kan eindigen. De anekdote illustreert ook waarom ervaring in het ambt zo waardevol is: grote projecten — woningbouw of schoolgebouwen — nemen vaak zo’n acht jaar vanaf idee tot oplevering, en wisselingen in het college vertragen voortgang.
Jonkman signaleert dat het wethouderschap de afgelopen jaren fors complexer is geworden. Het kantelpunt ziet hij in de decentralisaties van het sociaal domein (jeugdzorg, Wmo) rond 2015: taken kwamen bij gemeenten te liggen, maar de structurele financiering bleef achter. De gemeente worstelt nog steeds met de financiële nasleep. Bovendien heeft het wisselende beleid in Den Haag — zes kabinetten sinds 2010 en veel kortetermijnoplossingen — het lokaal bestuur onzeker gemaakt. Gemeenten zijn financieel afhankelijk van het Rijk, waardoor colleges terughoudend moeten zijn met investeringen en inwoners soms teleurgesteld raken als bijvoorbeeld nieuwbouw stilvalt.
Naast de relatie met het Rijk veranderd(e) ook de verhouding met inwoners. Burgers zijn mondiger en digitale kanalen vergroten zichtbaarheid en kritiek; participatie wordt gevraagd maar levert soms patstelling op. Eén verontruste omwonende of een aktieve tegenstander kan een project jarenlang frustreren, meent Jonkman. Als voorbeeld noemt hij het debat rond de spreidingswet en het huisvesten van statushouders: plannen voor een doorstroomlocatie in Ureterp werden na inspraak teruggeschroefd en uiteindelijk door de raad verworpen, terwijl de gemeente ook wettelijke verplichtingen heeft.
Jonkman maakt zich zorgen over de toestand van de lokale democratie. Gemeenteraadsleden hebben vaak te weinig tijd, achtergrond en ondersteuning om ingewikkelde dossiers te doorgronden en richten zich daarom vooral op zichtbare, concrete onderwerpen — het zebrapad in plaats van de jeugdzorg. Dat belemmert toekomstgerichte keuzes. Hij pleit voor meer tijd, middelen en deskundigheid voor raadsleden, en voor een stabieler kabinetsbeleid zodat gemeenten beter kunnen plannen (bijvoorbeeld om stikstofknelpunten te overwinnen en woningbouwprojecten zoals in Bakkeveen door te zetten).
Met de gemeenteraadsverkiezingen voor de deur roept Jonkman op tot betrokken, hartelijke volksvertegenwoordigers die lokaal beleid niet als springplank zien. Hij wil dat toekomstige raden en colleges ruimte krijgen om na te denken over hoe Opsterland er in 2040 uit moet zien en om solidair te handelen tussen individueel belang en algemeen belang. Zijn ervaring — zowel bestuurlijk als persoonlijk (eerdere loopbaan als schade-expert en manager, getrouwd, vier kinderen/ kleinkinderen) — is vaak de reden dat zijn partij aan tafel wordt gevraagd; dat wil hij blijven inzetten zolang er kandidaten ontbreken om het stokje over te nemen.