'Plucheplakker' Rob Jonkman (65) ziet de lokale democratie tegen grenzen aanlopen

zondag, 15 maart 2026 (08:43) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Rob Jonkman (65) is met zestien jaar onafgebroken wethouderschap de langstzittende wethouder in de provincie. Sinds 2010 zit hij namens de ChristenUnie in het college van Opsterland (Friesland), met onder meer financiën en Europa in zijn portefeuille. Hij overweegt weer vier jaar door te gaan als zijn partij na de komende gemeenteraadsverkiezingen opnieuw in de coalitie plaatsneemt. Jonkman profileert zich als een ervaren bestuurder die veranderingen op lokaal én nationaal niveau van dichtbij meemaakte en daar lessen uit trekt.

Beginjaren en leerervaringen
Vroeg in zijn wethouderschap kreeg Jonkman te maken met het hardnekkige dossier rond de heropening van het Polderhoofdkanaal, dat door procedures, oplopende kosten en uitgestelde openingen een zware beproeving werd. Een waarschuwing van een cursusbegeleider dat zo’n dossier je politieke einde kon betekenen, noemde hij later zijn beste les: het ambt kan elk moment voorbij zijn, en dat besef heeft hem gevormd. Zijn ervaring maakte hem ook aantrekkelijk voor coalitiepartners; vier jaar geleden werd de kleine ChristenUnie juist om die ervaring gevraagd om stabiliteit te brengen.

Continuïteit versus vluchtigheid
Jonkman benadrukt dat veel lokale onderwerpen lange adem vragen: woningbouwprojecten en schoolbouw kunnen acht jaar of langer duren, en wisselingen in college of raad vertragen zulke trajecten. Terwijl de gemiddelde zittingsduur van een wethouder rond de vier jaar ligt, vindt hij dat langdurige betrokkenheid noodzakelijk is om bestuurlijke motoren soepel te houden. Tegelijkertijd ziet hij dat wethouderschap steeds vaker als opstapje wordt gebruikt naar hogere functies, wat de continuïteit ondermijnt.

Druk door decentralisaties en financieel tekort
Het grootste kantelpunt in zijn periode noemt hij de decentralisaties (met name jeugdzorg en Wmo), toen gemeenten vanaf ongeveer 2015 veel extra taken kregen, maar het bijbehorende structurele geld vanuit Den Haag uitbleef. Volgens Jonkman leidt dat tot een blijvend financieel gat: gemeenten ontvingen regelmatig alleen incidentele middelen, waardoor vast personeel aannemen lastig werd en gemeenten op dure externe inhuur werden aangewezen. Hij spreekt van een „jojo-beleid” vanuit verschillende kabinetten (hij telde er zes sinds 2010) en noemt inconsistentie in rijksbeleid — rond stikstof, woningbouw en infrastructuurplannen — als oorzaak van onzekerheid en terughoudendheid bij lokale investeringen.

Afhankelijkheid van het Rijk en gevolgen voor inwoners
Omdat gemeenten voor het grootste deel op rijksgeld zijn aangewezen, raakt politieke onbetrouwbaarheid in Den Haag snel door in lokale praktijken. Burgers ervaren vooral het eindresultaat: waar blijven de beloofde huizen of voorzieningen? Jonkman wijst erop dat inwoners niet veel geven om beleidsverantwoordelijkheid — zij willen oplossingen — en dat lokale bestuurders vaak moeten uitleggen waarom projecten vertragen of niet doorgaan.

De mondige inwoner en grenzen van participatie
De relatie tussen gemeente en inwoner is veranderd: digitalisering en oproepen tot participatie hebben geleid tot een mondige samenleving waarin individuele tegenstanders een groot project jaren kunnen frustreren. Jonkman vindt dat participatie niet moet betekenen dat één iemand de meerderheid of het maatschappelijk belang kan blokkeren; er is volgens hem een zoekende balans tussen individuele rechten en collectieve belangen. Als voorbeeld noemt hij de recente discussie rond huisvesting van statushouders in Opsterland: een plan voor 25 plaatsingen in een leegstaande school in Ureterp werd na bezwaren en aanpassingen uiteindelijk door de raad verworpen, terwijl de gemeente ook een wettelijke taak heeft bij de spreiding van asielgerechtigden.

Zorgen om lokale democratie
Jonkman maakt zich zorgen over de capaciteit van raadsleden. Veel raadsleden doen het werk naast een betaalde baan en hebben niet de tijd of deskundige ondersteuning om complexe dossiers als jeugdzorg of de Omgevingswet goed te doorgronden; de neiging bestaat om zich te richten op tastbare, zichtbare onderwerpen (zoals een zebrapad) in plaats van strategische, abstractere beleidsvragen. Hij pleit voor meer tijd, vergoeding en ondersteuning zodat raden ook toekomstgerichte keuzes kunnen maken — bijvoorbeeld over hoe Opsterland er in 2040 uit moet zien.

Wat staat er op het spel bij de verkiezingen?
Bij de gemeenteraadsverkiezingen draait het volgens Jonkman om betrokken, bevlogen mensen die het lokale bestuur niet als opstapje zien. Hij wil dat nieuwe coalities en ook het volgende kabinet meer langetermijnperspectief bieden — structurele in plaats van incidentele middelen — zodat gemeenten kunnen investeren, woningbouw kunnen doorzetten (zoals in Bakkeveen) en de effecten van landelijke beleidswisselingen verminderen. Uiteindelijk roept hij op tot samenwerking tussen inwoners, ondernemers, ambtenaren en politici om gezamenlijk de toekomst van Opsterland vorm te geven.