PKN-leider Kees van Ekris reisde door Israël en Palestijnse gebieden: 'Ik ben scherper gaan zien dat beide volken, Joden en Palestijnen, trauma op trauma hebben opgelopen'

zaterdag, 31 januari 2026 (07:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Kees van Ekris, scriba van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), maakte in januari een twaalfdaagse reis door wat de PKN aanduidt als „Israël en Palestina” om kerkelijke verbondenheid te tonen, direct te horen wat lokale kerken en organisaties meemaken en daar van te leren. De reis bracht hem naar plaatsen als Hebron, Bethlehem, Tel Aviv, kibboets Be’eri en het Rossing Center in Jeruzalem. Hij reisde met vertegenwoordigers van Kerk en Israël, Kerk in Actie en andere verbonden organisaties.

Van Ekris kreeg tijdens ontmoetingen een indringend beeld van het dagelijkse onrecht, de angst en de traumasfeer aan beide kanten. In Hebron ervoer hij hoe een Palestijnse kerkleider, Omar Harami van Sabeel, geconfronteerd werd met vijandigheid van een Israëlische beveiliger die hem dreigde te martelen — een moment waarop Harami zijn kracht putte uit een theologie van opstanding en waardigheid, in plaats van haat. Het bezoek aan kibboets Be’eri, die op 7 oktober 2023 door Hamas werd aangevallen, maakte de maatschappelijke rouw zichtbaar: uitgebrande huizen en portretten van vermoorde buren en vrienden herinneren aan een getraumatiseerde Joodse gemeenschap. Tegelijk spraken Van Ekris en zijn gezelschap met Palestijnen die in hun dagelijks leven risico’s lopen op arrestatie en geweld; die angst draagt bij aan een groeiende emigratie van christenen uit de regio.

De afname van de christelijke gemeenschappen werd concreet gemaakt door gesprekken met diaconale leiders in Bethlehem en met Daoud Nassar van Tent of Nations, een vredesboerderij die al generaties onder druk staat door landinnames en kolonisten. Van Ekris zegt geraakt te zijn door Nassar’s uitputting maar ook door diens keuze om te blijven, juist om hoop te blijven uitstralen naar het omringende dorp. Zulke persoonlijke ontmoetingen verscherpten volgens Van Ekris zijn begrip van waarom organisaties als Sabeel en Tent of Nations bestaan, en waarom hun werk theologisch en moreel serieus genomen moet worden, ook als er kritiek klinkt binnen de kerk.

Van Ekris reflecteert op de noodzaak van wederzijdse zelfkritiek: het kerkelijk besef van verantwoordelijkheid voor antisemitisme na de Holocaust moet blijven bestaan, maar de kerk moet ook oog hebben voor het Palestijnse lijden en haar blinde vlekken durven onderzoeken. Hij zag dat zowel Joodse als Palestijnse geloofsleiders zware trauma’s meedragen, en dat trauma vaak de ruimte voor erkenning van het lijden van de ander verkleint. Tegelijk ontmoette hij mensen — rabbijnen, kerkleiders en werkers in dialoogcentra — die ondanks pijn en wantrouwen ruimte zoeken om elkaar te erkennen en samen te werken.

Een illustratief moment vond plaats in het Rossing Center, waar een Joodse directeur en een Palestijnse collega na veel spanning weer met elkaar in gesprek kwamen; het incident liet zien hoe snel aannames kunnen verharden, en hoe belangrijk luisterbereidheid en gezamenlijke moed zijn. Voor Van Ekris is hoop geen naïeve rust, maar de vrucht van woede over onrecht gecombineerd met moed en geloof — en daarom een aanmoediging om de inzet voor vrede en verbinding niet op te geven, ook niet bij felle en emotionele discussies binnen de PKN.