Paulus en 'het Israël van God'
In dit artikel:
In Galaten 6:16 sluit Paulus zijn brief af met een zegen over “allen die bij deze maatstaf blijven, en voor het Israël van God”. Die zinsnede ligt al lang onder interpretatieve druk: bedoelt Paulus hier simpelweg alle ware christenen, of verwijst hij naar (etnisch) Israël of een specifieke groep Joodse Christusgelovigen? Cor Hoogerwerf (specialist vertalen en exegese Nieuwe Testament bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap) bespreekt deze vraag aan de hand van recente commentaren en taalkundige observaties.
Historisch domineerde de uitleg dat “het Israël van God” gelijkgesteld kan worden met de christelijke gemeente. Na de Tweede Wereldoorlog en de vondst van de Dode Zee-rollen is men echter kritischer gaan nadenken over onderscheid tussen kerk en Israël, en dat heeft de lezing van Galaten 6:16 nieuw leven ingeblazen. Hoogerwerf hekelt in dit verband dat Hans van Oort in een recent boek die traditionele oplossing herbevestigt zonder substantiële argumentatie, en verwijst in plaats daarvan naar twee moderner-wetenschappelijke commentaren: Martin de Boer (2016) en Christopher Tuckett (2024).
Taalkundig en contextueel pleiten meerdere punten tegen een eenvoudige identificatie met alle christenen. In het Grieks staat de frase voor “vrede en barmhartigheid” midden in de zin, waardoor je de zegen grammaticaal ook als gericht op twee groepen kunt lezen: (1) degenen in Galatië die Paulus’ maatstaf volgen, en (2) het Israël van God als aparte categorie. Verder is de combinatie van “vrede” en “barmhartigheid” in een groet ongebruikelijk voor Paulus, terwijl “barmhartigheid” bij hem regelmatig verwijst naar Gods houding ten opzichte van Israël. Daarnaast gebruikt Paulus het woord “Israël” elders zelden in een vergeestelijkte betekenis, wat pleit voor een concretere, mogelijk etnische of communitaire betekenis hier.
De Boer en Tuckett verwerpen de traditionele uitleg, maar geven niet precies dezelfde invulling. De Boer leest “Israël van God” als de Joodse Christusgelovigen — de ‘rest’ van Israël die de wet blijft naleven — en ziet in Paulus’ slotgroet een tegenwicht voor zijn harde woorden eerder in de brief tegen Joodse predikers die niet-Joden tot besnijdenis aansporen. De Boer suggereert bovendien dat die predikers zich mogelijk zelf zo aanduidden. Tuckett daarentegen neemt de term meer letterlijk als het gewone Israël, wat aansluit bij wat Paulus later in Romeinen over Gods trouw aan Israël schrijft. Hoogerwerf ziet deze twee benaderingen niet als tegenstrijdig: in Galaten is de term specifiek toegespitst, maar het idee krijgt in Romeinen bredere uitwerking.
De interpretatie heeft ook praktische gevolgen: toekomstige revisies van de NBV21 zouden rekening moeten houden met de kans dat Paulus twee groepen bedoelt en de Nederlandse vertaling daarop aanscherpen.