Pas de laatste jaren ontdekt Rudi uit Goutum wat zijn vader allemaal meemaakte als KNIL-militair. Hij strijdt voor een speciale status voor diens graf

vrijdag, 24 april 2026 (11:26) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Al jaren vraagt Rudi Laurenzo zich elke dag af waarom het graf van zijn vader Joseph op de Noorderbegraafplaats in Leeuwarden geen speciale status krijgt. Joseph was KNIL-militair en onderdeel van de eerste generatie Molukkers die na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland kwam. Hij vluchtte van Ambon naar Nieuw-Guinea en arriveerde pas eind 1960 in Nederland; het gezin vestigde zich in Leeuwarden omdat Joseph bij Philips kon werken. Tijdens de oorlog werd hij gevangen gezet, moest hij ratten eten, onderging lijfstraffen en werd hij gedwongen te werken aan de Birma-spoorlijn. Na zijn dood zijn hem vier medailles postuum toegekend.

De discussie over de erkenning speelt vooral sinds april 2021, toen meer dan honderd burgemeesters — waaronder die van Ooststellingwerf, Smallingerland en De Fryske Marren — premier Mark Rutte vroeg het leed van de Molukkers te erkennen. Dat jaar was het zeventig jaar geleden dat de eerste Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in Nederland aankwamen; zij waren aanvankelijk voor een korte periode verwacht, maar bleven vaak jarenlang, soms in voormalige nazi-kampen. Een verklaring of nationale erkenning van Rutte bleef uit.

Veel gemeenten bieden daarom lokaal al bescherming aan graven van de eerste generatie Molukse KNIL-militairen: geen grafrechten, geen ruiming en zo een blijvend gedenkteken. Leeuwarden reageerde echter jarenlang niet op de vragen en brieven van Laurenzo. Pas nadat raadsadviseur Patrick Rijke zich er vorig jaar mee bemoeide, ontstond beweging en volgde een gesprek met wethouder Jacobse, ruim 4,5 jaar na de eerste brief aan burgemeester Buma.

Laurenzo en zijn schoonzoon René Dijkstra ervaren aanvankelijk weinig begrip en het gevoel van 'van het kastje naar de muur' te zijn gestuurd. Ook ontbreekt er volgens hen lokaal bewustzijn over het Molukse leed, mogelijk omdat in Leeuwarden relatief weinig Molukkers woonden. De gemeente bracht hen uiteindelijk in contact met het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL). Het HCL wijst erop dat het incidentieel graven tot 'bijzondere graven' verklaart om heel andere redenen, maar de directeur toonde begrip, zegt Dijkstra, en wil zich inzetten — al ligt de uiteindelijke beslissing bij het college en de gemeenteraad.

Voor Rudi zou een speciale status van zijn vaders graf een vorm van erkenning en blijvend herinneren betekenen. Hij hoopt dat de gemeente nu snel stappen zet; hij voelt de tijdsdruk ook persoonlijk, omdat hij niet meer de jongste is.