Oud-prof en voetbaltrainer Joop Gall (62) helpt nu Oekraïense vluchtelingen: 'Het is dankbaar werk'
In dit artikel:
Joop Gall (62) is al decennialang een herkenbaar gezicht in het Noord-Nederlandse voetbal en werkt sinds twee jaar als woonbegeleider voor ontheemde en gevluchte Oekraïners in Twijzelerheide. Zijn betrokkenheid bij de vluchtelingenzorg sluit aan op een leven waarin strijdlust, loyaliteit en een praktische instelling steeds terugkomen.
Opgegroeid in de binnenstad van Groningen — vlak bij de rosse buurt — leerde Gall van jongs af aan straatwijsheid en handigheidjes: boodschappen doen voor de prostituees, wisselgeld houden, en af en toe een gevonden gouden ketting onder auto’s vandaan vissen. Die ruige jeugd mondde uit in een lange profloopbaan: 17 seizoenen in het betaalde voetbal waarin hij onder meer uitkwam voor FC Groningen en Sportclub Veendam. Gall verdiende faam als bloedfanatieke linkspoot met een winnaarsmentaliteit die soms grensoverschrijdend was; irritatie en manipulatie op het veld waren onderdeel van zijn speelstijl. Blessures dwongen hem later tot een knieprothese (hij leeft nu met anderhalve kunstknie) en leverden hem maanden van pijn en herstel op.
Als speler kruiste hij paden met namen als Erwin Koeman, Milko Djurovski en René van der Gijp; zijn loopbaan ging langs Oosterpark en Langeleegte, met promoties en degradaties, en anekdotes over markante teamgenoten en trainers. Na zijn spelersloopbaan ging Gall het trainersvak in: assistent bij FC Groningen en hoofdtrainer van clubs als Veendam, Go Ahead Eagles en FC Emmen. Hij werkte ook vijf jaar met Jong FC Groningen en speelde een rol bij de ontwikkeling van spelers als Arjen Robben — hij drong er bij de technische staf op aan Robben meteen in het eerste elftal te laten debuteren — en later bij de doorbraak van Wout Weghorst, die Gall publiekelijk dankbaar noemde omdat hij hem destijds aanspoorde niet terug te keren naar het amateurvoetbal.
Gall zocht ook internationale ervaringen: trainersklussen voerden hem naar Oekraïne (waar hij corruptiepraktijken meemaakte), China (in de coronacrisis) en Indonesië (waar hij zich tijdelijk als in een paradijs voelde). Terug in Nederland raakte hij uitgekeken op het pure profwereldje en maakte ruimte voor meer maatschappelijk werk en familie.
De omslag naar opvangwerk kwam via contacten uit de voetballerij. Vanuit zijn kantoor in een opvanglocatie begeleidt hij met een team getraumatiseerde Oekraïners. Gall benadrukt de ernst van hun situatie: dit zijn mensen van een oorlog die dichtbij is, velen hebben alles verloren. Hij verzet zich tegen het gemak waarmee vluchtelingen worden over één kam geschoren met zogenaamde gelukzoekers uit veilige landen. De dankbaarheid die hij ziet wanneer bewoners even kunnen lachen, vergelijkt hij met de beleving van een beslissende penalty.
Persoonlijk blijft Gall nuchter: hij laat zich niet te groot voelen om een amateurclub te trainen, hecht aan zijn Groningse identiteit en erkent dat voetbal hem uit risicovolle straatomstandigheden heeft gehouden. Zijn carrière en huidige werk illustreren een constante inzet voor anderen, zowel op het veld als daarbuiten.