Originele bron laat functioneren van het Friese veemgericht zien

donderdag, 30 april 2026 (08:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

Rechtshistoricus dr. mr. H.L.C. Hermans concludeert aan de hand nieuw gevonden bronnen dat het zogenaamde Friese veemgericht tijdens de Duitse bezetting geen mythe is, maar een werkelijke, besloten rechterlijke instantie binnen het Friese verzet. Centraal staat een notitie uit het Tresoar‑archief, gedateerd 16 maart 1945, die interne beraadslagingen rond een voorgenomen doodvonnis beschrijft en daarmee inzicht geeft in samenstelling, procedure en bedoeling van het gerecht.

Het veemgericht fungeerde als een soort illegale rechtbank die voorgenomen liquidaties beoordeelde om te beslissen of iemand uit het verzet moest worden geëlimineerd. De notitie laat zien dat de rechters onafhankelijk oordeelden (drie personen individueel), terwijl een tussenpersoon de uitspraken verzamelde. Er is sprake van een “Officier‑Commissaris” die aanvullend onderzoek kon instellen; die rol lijkt op die van een onderzoeksrechter en duidt op een bewuste navolging van juridische procedures binnen de clandestiene context. De schrijver stelt als voorwaarde dat een eventuele executie “zonder spoor” moest gebeuren, waarmee het geheime en veilige karakter van zowel beslissing als uitvoering wordt onderstreept.

Herkomst en personen: de notitie is ondertekend met “Kuipers” en werd in hetzelfde dossier gevonden als een brief onder de schuilnaam “Servaas”. Hermans stelt dat beide documenten onmiskenbare gelijkenissen in handschrift en inkt vertonen, en identificeert “Kuipers” waarschijnlijk als mr. Pieter Taekes van der Herberg, die kort na de bevrijding waarnemend burgemeester van Dantumadiel werd. Uit mondelinge verklaringen van zonen van Jan Wedeven — voormalig lid van het gerechtshof in Leeuwarden — blijkt dat Wedeven zelf deel uitmaakte van het veemgericht. Volgens die verklaringen onderhield politieman Anno Houwing het contact tussen rechters en verzetsleiding; Houwing wordt daarmee beter als verbindingsman dan als een theatrale frontfiguur gezien. Andere literatuur en getuigen, waaronder verzetsleden Douwe Witteveen en Toon Mulder, spreken eveneens over een college van twee rechters uit Leeuwarden en één uit Assen en benadrukken dat men binnen de illegaliteit trachtte een mate van “wettigheid” te behouden.

De notitie behandelt ook bezorgdheid over functievermenging: een betrokken functionaris (aangeduid als “D8”) werd gezien als problematisch omdat hij zowel zaken aanbracht als zou deelnemen aan beslissingen. Dit wijst op interne normen tegen belangenvermenging en op een poging om besluitvorming zorgvuldig en juridisch verantwoord te organiseren, vermoedelijk door personen met juridische achtergrond.

De vondst versterkt eerdere studies (Ypma, Wijbenga, Schaaf, Loe de Jong) en dossiers bij het NIOD die procedures van rapportage, besluitvorming en uitvoering beschrijven. Tegelijkertijd erkent Hermans de beperkingen: de bronnen geven geen volledig sluitende samenstelling of continuïteit van het college, en namen van alle leden blijven onzeker. Wel tonen meerdere, onafhankelijke aanwijzingen dat het Friese verzet een college had dat over voorgenomen liquidaties oordeelde en daarbij bewust naar normen van behoorlijke rechtspleging probeerde te handelen.

Kort: de notitie van 16 maart 1945 biedt een zeldzame, directe blik op hoe het Friese verzet verantwoordelijkheid droeg voor levensbeslissingen en bewijst dat het veemgericht meer was dan gerucht — een clandestien, doch juridisch georiënteerd orgaan binnen de Friese illegaliteit.