Orbán toont aan dat het ene veto niet het andere is

maandag, 23 maart 2026 (16:00) - Friesch Dagblad

In dit artikel:

De EU heeft het vetorecht primair als noodrem bedoeld, niet als instrument om besluitvorming structureel te blokkeren, maar de praktijk laat zien dat veto’s heel verschillend kunnen uitpakken. Afgelopen week toonde de kwetsbaarheid van de Europese Raad zich toen Hongarije onder premier Viktor Orbán het akkoord over een lening van 90 miljard euro aan Oekraïne blokkeerde. Die gebeurtenis staat centraal in de terugblik die het Europees Parlement woensdagmiddag in Brussel zal houden.

Tegelijkertijd illustreert het verhaal rond zetel en ritme van het Parlement waarom Brussel veel vaker het werkcentrum is dan Straatsburg: volgens het Verdrag moeten plenaire vergaderingen twaalf weken per jaar in Straatsburg plaatsvinden, maar voor het dagelijkse werk en bij overvolle agenda’s worden in Brussel zogenaamde mini-zittingen gehouden (woensdagmiddag tot donderdagmiddag), gemiddeld zo’n zes keer per jaar. Dat blijft een compromis tussen formele regels en praktische werkbaarheid.

Niet alle veto’s zijn gelijk. Lidstaten gebruiken ze soms tijdens onderhandelingen om zogenoemde vitale belangen veilig te stellen, waarna ruimte is voor compromis. Nederland heeft bijvoorbeeld eerder vetorecht gezet om kwesties rond Servië en de pro-Russische koers van president Aleksandar Vučić te beïnvloeden. Orbáns blokkade van de Oekraïne-lening wordt echter als ander kaliber gezien: de Europese Commissie en Oekraïne troffen afspraken over snelle herstelwerkzaamheden aan een pijpleiding, waarmee veel van Orbáns argumenten werd ondergraven; toch hield hij vast aan zijn veto, wat tot sterke politieke druk en isolatie leidt.

Er zijn instrumenten om unanimiteit minder dwingend te maken, zoals de zogeheten passarelle uit het Verdrag van Lissabon, maar die kan alleen in werking treden bij unanimiteit — een paradox die verandering bemoeilijkt. In de praktijk kiest de EU vaak voor overtuiging, luisteren naar minderheidsbelangen en flexibele samenwerkingsvormen (kopgroepen/ enhanced cooperation), zoals bij de euro en Schengen, waardoor besluitvorming ondanks verschil van inzicht doorgaans toch mogelijk blijft.