Opiniepeiler Peter Kanne (61) ziet dat Nederlanders verwend zijn, maar ongelukkig. 'We willen geen offers meer brengen'

zaterdag, 7 februari 2026 (08:26) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Peter Kanne, bekende opinieonderzoeker (61) en auteur van het net verschenen boek Lang zal ik lekker leven, stelt op basis van jaren aan cijfers en studies dat de Nederlandse samenleving is doorgeslagen naar een genotsgerichte individualisme. Tijdens een gesprek in Joure illustreert hij zijn centrale observatie met korte, scherpe etiketten: op de vraag hoe het met ons gaat antwoordt het land steevast „Té goed.” Daarmee bedoelt hij dat materiële rijkdom en persoonlijk comfort zo vanzelfsprekend zijn geworden dat Nederlanders steeds minder bereid zijn iets in te leveren voor het collectief.

Kanne koppelt deze houding aan concrete problemen. Vermogensongelijkheid en de voorkeur voor huizenbezitters (bijvoorbeeld via de hypotheekrenteaftrek) zijn volgens hem duidelijke voorbeelden van hoe kortetermijnpolitiek het groepsbelang ondermijnt. Veel mensen zien verlies van privileges als persoonlijk onrecht en reageren alsof hen iets wordt afgenomen, in plaats van dat ze in termen van gemeenschappelijk belang denken.

Zijn analyse zoekt oorzaken in cultuur en technologie. Waar de verzuiling vroeger subassertiviteit voortbracht en emancipatie later tot assertiviteit leidde, is die assertiviteit nu volgens Kanne geëscaleerd naar agressieve ik-cultuur: „ikke, ikke, ikke.” Het internet en vooral sociale media, ooit gevierd als emancipatie-instrumenten, hebben volgens hem het tegenovergestelde gedaan: platforms en algoritmes isoleren mensen in bubbels en versterken eigenbelang. Daardoor verliezen we het vermogen om met andersdenkenden het gesprek aan te gaan en groeit de neiging tot binnenwereldelijke terugtrekking.

Kanne signaleert een paradox: Nederland scoort hoog op objectieve indicatoren als welzijn, veiligheid en gezondheid, maar voelt zich desondanks kwetsbaar en somber — wat hij met het beeld van „welvaartshypochonders” samenvat. Die angst en het zoeken naar houvast zorgen ervoor dat mensen zich terugtrekken in hun nabije kring, juist wanneer collectieve oplossingen nodig zijn voor mondiale uitdagingen.

Politieke en morele consequenties tekenen zich in zijn betoog scherp af. Hij waarschuwt dat binnenlandse apathie ruimte laat voor antidemocratische stemmen en vergelijkt het risico met de jaren dertig en het fenomeen van innerlijke emigratie: wie zwijgt, laat anderen beslissen. Daarom doet Kanne een beroep op burgers: aktiever deelnemen, kleine offers brengen, weer fysiek en inhoudelijk contact zoeken met buurt en samenleving en minder hangen in eindeloos scrollen. Demonstreren en het uitoefenen van democratische rechten noemt hij waardevolle middelen — juist nu er mondiale leiders zijn die handelen vanuit het recht van de sterkste (hij citeert begrippen zoals ‘hedofascisme’ uit het debat).

Kanne benadrukt dat zijn boek een persoonlijk pamflet is, niet een officieel rapport van Ipsos I&O. Zijn boodschap is breder dan partijpolitiek: hij pleit voor meer gemeenschapszin, rentmeesterschap en burgerdruk op de overheid om niet winst maar bestaanszekerheid en gezondheid centraal te stellen. Over het politieke speelveld zegt hij dat nieuwe leiderschap, zoals dat van Rob Jetten, de potentie heeft om anders te sturen, al is het de vraag of zulke figuren koers kunnen houden.

Persoonlijk getuigt Kanne van wortels in Friesland: hij groeide op in Haaksbergen, woonde jaren in Joure en studeerde in Leeuwarden. Die achtergrond — en zijn loopbaan bij marktonderzoekbureaus en Ipsos — onderbouwt zijn blik op maatschappelijke patronen. Lang zal ik lekker leven (J.M. Meulenhoff, 264 blz.) vat die observaties samen en sluit af met een oproep: niet radicale revolutie, maar meer burgerlijke activiteit en bereidheid tot offers voor het gemeenschappelijke, voordat anderen de ruimte vullen.