Op een Olympische School, moet iedereen volwaardig meedoen
In dit artikel:
Vmbo-directeur Hilbrand Visser (Dockinga College, Dokkum) gebruikt de start van de Olympische Spelen om een knellende praktijkvraag in het onderwijs te belichten: volstaat alleen “meedoen” of moeten we veel hogere eisen stellen aan wat deelname inhoudt? Recent riep een incident hem op het matje: een groep onderbouwleerlingen werd na herhaaldelijk roken onder de aanklager geplaatst en kreeg twee weken de tijd om zich aan de schoolregels te houden. Kort daarna bleek één leerling te zijn weggelopen en te spijbelen — een voorbeeld van wat Visser noemt ‘handelingsverlegenheid’ bij scholen en schoolleiders.
Visser koppelt die dagelijkse casus aan bredere ontwikkelingen: de beweging van passend naar inclusief onderwijs en het streven naar kansengelijkheid lopen spaak wanneer ‘meedoen’ verwordt tot louter administratieve aanwezigheid. Volgens hem leidt die focus tot meer thuiszitters en een uitholling van speciaal onderwijs voor leerlingen met grotere gedrags- of ondersteuningsbehoeften. Tussen beleidsidealen en de werkelijkheid van het lokaal onderwijs blijft een voelbare kloof bestaan.
Met teruggrijpen op de Olympische gedachte nuanceert Visser wat meedoen zou moeten betekenen: niet puur aanwezig zijn, maar het maximale uit jezelf halen en persoonlijke groei stimuleren. Dat vereist volgens hem een andere inrichting van het onderwijs: investeren in veiligheid, weerbaarheid, tijd en kwaliteit. Werkdruk en salarisdiscussies van leraren zijn relevant, maar moeten volgens Visser volgen op een prioriteit om het onderwijs eerst echt goed voor leerlingen in te richten. De boy in zijn kantoor illustreert zijn punt: aanwezigheid alleen is onvoldoende; leerlingen verdienen structurele aandacht en kwaliteit om volwaardig te kunnen meedoen.