Op de tribune van San Siro bekruipt me een magisch gevoel, want hier schitterde mijn jeugdheld San Marco | column
In dit artikel:
Langs de bekende kolommen van de curva sud loopt de schrijver het imposante San Siro binnen – het gedeelde stadion van AC Milan en Internazionale, voor één avond omgetoverd tot Olympisch Stadion. De aanleiding: de openingsceremonie van de Spelen. De vraag of je zulke ceremonies bezoekt neemt hij telkens opnieuw door; herinneringen aan Vancouver 2010, waar hij de vlam zag, spelen mee, maar ook teleurstellingen en ongemakken van eerdere edities.
Vorig jaar in Pyeongchang haakte hij halverwege af door de steenkoude temperaturen; de perskit bevatte warmtepacks die toen letterlijk van pas kwamen. Openingsavonden zijn bovendien lange aangelegenheden met een uitgebreid draaiboek, vroege komst en het risico dat metro’s sluiten omdat tienduizenden mensen tegelijk ondergronds zijn. Ditmaal trok de programmering hem niet speciaal — hij is geen fan van de geplande artiesten — maar toch kwam hij voor het bouwwerk zelf: de betonnen reus die over enkele jaren mogelijk gesloopt wordt.
Dat stadion draagt persoonlijke geschiedenis. Hier zag hij als kind zijn voetbalidolen schitteren: Marco van Basten, Ruud Gullit, Frank Rijkaard — namen die nostalgie oproepen, ook al zijn ze voor jongere generaties zoals shorttracker Jens van ’t Wout soms onbekend. Die emotionele verbinding won het van de kou en van het muziekgeweld; even stond hij op de tribune en liet de herinnering aan het “Gouden trio” terugkomen. De aanwezigheid bij de openingsceremonie was daarmee vooral een eerbetoon aan een plek vol sporthistorie, nog voordat de sloophamer toeslaat.