Ook in een doorsnee woensdagnacht knerp ik fors op de Schaal van Glazuur | column Wieberen Elverdink
In dit artikel:
Journalist Wieberen Elverdink (44) schuift na ruim twee jaar afwezigheid weer in de tandartsstoel en krijgt meteen te horen: „Je knarst graag, zie ik.” Het bezoek zet hem aan het denken: hij herkent zichzelf niet als een bewuste knarser, maar beseft dat zijn gebit ’s nachts duidelijk lijdt onder het tandenknarsen. De tandarts constateert verder geen ernstige afwijkingen: „Geen opvallendheden verder.”
Elverdink loopt in de stoel een lijst met mogelijke oorzaken langs — slaapstoornissen, alcohol, roken, medicijnen, drugs en stress — en voert een korte zelfdiagnose. Een slaapstoornis verdenkt hij niet: hij valt normaal in en af en toe onhandig weg op de verkeerde momenten, maar slaapt wel. Alcoholgebruik geeft hij gedeeltelijk toe: hij drinkt niet extreem, maar niet sober genoeg om het direct af te schaffen als oorzaak. Roken, medicijnen en drugs kan hij uitsluiten. Wat overblijft is stress: in de vage uren tussen slapen en compleet wakker zijn wemelen zijn gedachten van kleine en grote zorgen — over dierbaren, politiek in het buitenland, een dashboardfoutje in de auto, of of een vorig interview goed genoeg was — en die sluimerende angst lijkt de veroorzaker van het knarspatroon.
Het verhaal is persoonlijk, licht ironisch en herkenbaar: ondanks bewuste aandacht voor gezondheid slaat het onbewuste toe als de ratio uitgaat. De anekdote eindigt geruststellend — geen ernstige tandproblemen — maar met de impliciete waarschuwing dat stress onopgemerkt lichamelijke schade kan doen. Als achtergrondinformatie: tandenknarsen (bruxisme) wordt vaak in verband gebracht met stress en slaapstoornissen en kan met gedragsaanpassingen, minder alcohol of een gebitbeschermplaat worden bestreden.