Ontwerper Tjeerd Veenhoven wil impact maken met zijn innovatieve kleding. 'Soms is een idee gewoon slecht'
In dit artikel:
Ontwerper Tjeerd Veenhoven richt zich de laatste jaren vooral op materialen uit natte omgevingen: lisdodden, riet, wilg, els en pitrus. Waar hij tien jaar geleden nog een prijs won voor een concept om kleding van algen te maken (in 2015), werkt hij inmiddels vanuit een ruime studio aan de Paradijsvogelstraat in Groningen vooral als materiaalontwikkelaar en experimentator. Zijn atelier staat vol proefproducten — slippers, meubelstukjes, platen en schimmels — en vormen samen een lange zoektocht naar bruikbare, duurzame alternatieven voor gangbare bouw- en gebruiksmaterialen.
Veenhoven werkt sinds circa vijf jaar nauw samen met het Biosintrum in Friesland, een organisatie die partijen verenigt rond duurzame toepassingen. Directeur Petra Boorsma benadrukt dat het project nu een schaalvergroting doormaakt: “We gaan uit het museum de maatschappij in.” Centraal staat het gebruik van lisdodden: deze rietachtige planten groeien goed op veengronden, nemen CO2 op tijdens hun groei en kunnen verwerkt worden tot isolatiemateriaal en plaatmateriaal. Omdat veel veengebieden te nat of door bodemdaling ongeschikt zijn voor reguliere landbouw, bieden ze juist kansen voor nieuwe vormen van ‘landgebruik’ die bodemverlies en CO2-uitstoot kunnen beperken.
Praktisch werk richt zich op het sluiten van de keten van perceel tot product. Boeren met natte stukken land melden zich spontaan, waardoor lokale oogsten en professionele verwerking gecombineerd kunnen worden met traditionele kennis. In het atelier liggen stapels platen van lisdodden die qua uiterlijk op bouwplaatmateriaal lijken; deze worden getest op eigenschappen als vochtbestendigheid, brandveiligheid en sterkte. Veenhoven noemt gebrek aan mankracht en het voldoen aan uiteenlopende specificaties als belangrijke uitdagingen bij opschaling.
De algenfase van zijn carrière illustreert zijn kritische houding: technisch is kleding van algen haalbaar — door cellulose uit gedroogde zeewieren te winnen en te spinnen — maar economisch en qua impact bleek het een zwak model. Veenhoven vat het fel: “Ja dat kan. Het is wel een heel slecht idee.” Daarmee benadrukt hij dat ontwerpers ook moeten kunnen terugschakelen en leren van experimenten die wel technisch werken maar weinig maatschappelijke meerwaarde hebben.
Andere projecten tonen zowel circulaire als ecologische ambities. Riet dat normaal gesproken na decennia vervangen en verbrand wordt, wil hij hergebruiken voor meubels en bouwmaterialen zodat opgeslagen CO2 blijft benut. Met pitrus — vroeger gezien als teken van slechte grond — maakte hij vlechtwerk voor nestvoorzieningen van de zwarte stern; zo’n kleinschalig ontwerp draagt bij aan biodiversiteit en het herstel van ecologische netwerken.
Veenhoven positioneert zichzelf als iemand die principes aantoont en productieketens helpt opzetten. Zijn aanpak combineert ontwerpkracht, veldwerk bij oogst en tests in samenwerking met lokale partijen, met als doel ecologische grondstoffen uit natte gebieden praktisch, circulair en schaalbaar inzetbaar te maken.