Nu de linkse fusie een feit is, wat zijn de lessen uit de vorige partijfusie?
In dit artikel:
PvdA en GroenLinks bundelen hun krachten in Progressief Nederland (roepnaam: PRO); zaterdag houden leden het oprichtingscongres. Journalisten als Coen van de Ven die het fusietraject volgden zagen tijdens campagnes en in lokale afdelingen hoe verschillen in achtergrond en prioriteiten tot wrijving leiden. In Leeuwarden bijvoorbeeld botsten landelijke klimaatfolders met PvdA-lokale zorgen: PvdA-raadslid Dirk Visser zei over de buurtgevoelens: „Mensen vragen zich af of ze een beetje te vreten hebben. Dát leeft hier.”
Die tegenstellingen illustreren een veelgehoord vrees: sommigen binnen de PvdA vrezen dat de volkse, bestuurlijke vleugel terrein verliest aan hoogopgeleide stedelijke klimaatactivisten; bij GroenLinks zijn er zorgen dat juist de PvdA-bestuurders de toon gaan zetten. In werkelijkheid lijken veel leden van beide partijen al veel overlap te hebben, maar cultuur en interne machtsverhoudingen blijven bepalend.
Kijkend naar eerdere partijfusies leert de geschiedenis dat een samengevoegde partij deels iets nieuws is, maar vaak de cultuur van één voorganger dominant wordt — de ChristenUnie draagt meer RPF-karakter, het CDA meer KVP-erfenis. Minderheden in zo’n proces passen zich meestal aan of verdwijnen; afgesplitste opvolgpartijen hebben zelden blijvend succes (enkele uitzonderingen zoals de korte EVP-zetel in 1982). GroenLinks was de enige fusiepartij die na samenvoeging daadwerkelijk groeide; andere fusies leverden vooral de som der delen op.
Voor PRO is het realistische vooruitzicht niet zozeer een grote kiezersstroom, maar het smeden van een groter links blok en het mogelijk stoppen van electorale neergang — zonder echter zekerheid op deelname aan een volgende coalitie.