Nee, niet de autoloze zondagen: dit is wat er echt veranderde na de oliecrisis van 1973 | LC commentaar
In dit artikel:
Deze lente keken media terug naar de autoloze zondagen van 1973–74, waarbij de vergelijking met de toenmalige oliecrisis de aanleiding vormde. Een zichtbaar keerpunt was in 1975 toen Anne Vondeling symbolisch de laatste auto van het Binnenhof duwde; sindsdien werd het Kamergebied autovrij. Belangrijker nog dan die theatrale daad was de beleidsverandering: autorijden werd niet langer het enige uitgangspunt, fietsers en voetgangers kregen structureel aandacht.
Dat was hard nodig. In het begin van de jaren zeventig gebeurden in dorps- en stadscentra regelmatig ernstige ongevallen; de tekst noemt het oversteken van de Leeuwarder Nieuwestad als voorbeeld. Ook automobilisten zelf vielen massaal slachtoffers — Vondeling kwam in 1979 om bij een ongeval — wat druk opvoerde voor verkeersveiligheidsmaatregelen.
Friesland was een proefveld voor nieuwe ideeën. TNO-onderzoekers die in 1974 Schiermonnikoog bezochten, troffen er meer auto-activiteit en agressiever rijgedrag aan dan verwacht; de ervaring leidde tot aanscherping van lokale regels. In steden als Leeuwarden, Drachten en Heerenveen werden winkelstraten autovrij; Dokkum experimenteerde met verkeersdrempels en werd voorbeeldig genoemd. Niet iedereen accepteerde de veranderingen — een inwoner van Sloten belandde in 1979 in de cel na het negeren van parkeerverboden en boetes — maar verzet ebde vaak weg.
Een halve eeuw later zet die evolutionaire beweging door: steeds meer autoluwe straten, parkeerterreinen die groen worden. De les uit de jaren zeventig blijkt ons nu te blijven binden: tijdelijke maatregelen en crises kunnen blijvende verschuivingen in mobiliteitsdenken en stadsinrichting voortbrengen.