'Mogen we al aan het bier?' vraagt mijn tante om half vier 's middags I column Maaike Borst
In dit artikel:
Op een familiedag in de Noord-Hollandse polder — waar de voorouders van de verteller als melkboeren en bollenkwekers werkten — komen tientallen familieleden samen op het erf van een oom. Er is een springkussen voor de kleintjes, een sjoelbak en kleurplaten in de schuur, en de oom heeft bakken narcissen klaargezet: voor iedereen een bosje om mee naar huis te nemen. De Franse vrouw van een neef sjoelt voor het eerst en doet niet onder voor degenen die met het spel zijn opgegroeid.
De samenkomst is groot; de overgrootouders hadden elf kinderen en die nageslacht zorgt voor volle tafels en herkenbare rituelen. Oma’s gewoonte om elk kleinkind een eigen glas met plakletters te geven leeft voort: 24 glazen liggen klaar. Opeenvolgende generaties tonen zowel verschil als continuïteit — een achterneef zegt beleefd 'u', terwijl de verteller terugdenkt aan kermisochtenden waarop het bier al vroeg vloeide. De jeugd brengt andere manieren mee, maar neemt ook oude normen over.
Een pubquiz met nostalgische vragen roept gedeelde herinneringen op: tuinbonen doppen, rummikub-marathons en het zoete feestdrankje 'spoetnik'. Een vergissing in de quiz leidt tot het herkrijgen van een smaakgeur uit de kindertijd: cassis. De prijs is een glas met naam — kleine trofeeën van familiegeschiedenis.
Aan het eind is er een dronken oom — een herkenbaar tafereel — en een andere oom raakt emotioneel bij het zien van de bontgekleurde familie in zijn schuur: "Dit is het mooiste wat er is." De verteller neemt een tuiltje narcissen mee naar huis en droomt die nacht van zijn jonge oma, een droom die de warmte en continuïteit van familiebanden onderstreept.