Mirella Klomp was een jaar Theoloog der Nederlanden: 'Ik hoor meer, ik ruik meer, ik zie meer'
In dit artikel:
Mirella Klomp (1979) sluit deze maand haar jaar als Theoloog der Nederlanden af na een ‘grondreis’ langs ongeveer veertig plekken en mensen, van Zuid-Limburg tot Moddergat. Het project, voortbouwend op haar meerjarige onderzoeken aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), onderzocht hoe de bodem en het landschap identiteit, geschiedenis en toekomstvragen oproepen — en hoe theologie daarbij kan spreken en luisteren.
In Fryslân maakte Klomp de stikstofproblematiek concreet: vanaf een bankje in natuurgebied het Bûtefjild zag ze aan de ene kant megastallen en aan de andere kant een verdroogd veengebied met schrale, levenloze grond. Die tegenstrijdige blik maakte haar duidelijk dat boeren vaak niet louter uit onwil handelen, maar gebonden zijn aan schaalvergroting, hoge leningen en beperkte keuzeruimte. Tegelijk toonde het hoe landbouwpraktijken het leven van bodem, dier en mens fundamenteel beïnvloeden.
Tijdens het jaar bezocht ze uiteenlopende initiatieven: Holwerd aan Zee (een ambitieus plan dat uiteindelijk door de provincie werd afgewezen, met blijvende verbittering in het dorp), gesprekken met inwoners van Moddergat en Ferwert over ruilverkaveling, en een tocht over de Tweede Maasvlakte waar ze een stuk mammoetkies vond — een vondst die haar bewust maakte van de diepe tijdscales waarin menselijke handelingen slechts een fractie vormen. Uit de ontmoetingen distilleerde ze drie kerkvraagstukken die de grond volgens haar stelt: mogen we de aarde naar onze hand zetten, verbindt of scheidt grond mensen, en wat leert de bodem ons over verleden, heden en toekomst?
Klomp plaatst zulke vragen in een theologisch kader zonder vast te lopen op beladen historische associaties. Ze erkent de gevoeligheid rond relaties tussen volk en grond — vanwege het nazi-begrip Blut und Boden — maar waarschuwt dat deze schrikreactie niet mag leiden tot theologisch zwijgen over land. Theologie kan juist helpen bij existentiële vragen over verantwoordelijkheid, vergeving en maatschappelijke omkering. In gesprekken kiest ze taal die past bij het publiek: in reformatorische kringen spreekt ze bijvoorbeeld expliciet over zonde en vergeving in plaats van alleen ecologische jargon.
Haar onderzoeksproject aan de PThU loopt door tot minstens 2028; het eerste deel van de data-verzameling moet nog worden geanalyseerd voordat theorieën, beleid en vernieuwende praktijken ontwikkeld worden. Ze werkt aan een boek met verhalen en reflecties uit de grondreis, dat binnen een jaar verschijnt. Internationaal is er belangstelling: andere theologen volgen het Nederlandse experiment in het verbinden van geloofsperspectieven met landkwesties.
Een persoonlijke toets loopt door Klomps verhaal: haar jeugd in het boerenland van Scherpenzeel — kikkerdril, weilanden, koeien — en het gevoel er deels buiten te staan, vormden haar perspectief. Ze pleit voor hernieuwde zintuiglijke betrokkenheid bij de omgeving: niet alleen intellectuele analyse, maar ook kijken, ruiken en luisteren om te beseffen wat de grond ons te zeggen heeft. In haar inaugurele rede als hoogleraar Praktische Theologie: Worship and Formation benadrukte ze die aanpak en hoopte haar ontmoetingen anderen te inspireren tot hetzelfde aandachtig waarnemen en handelen.