Met een boek in de trein
In dit artikel:
Anton Koolhaas, bekend schrijver en van 1968–1978 directeur en scenarioschrijfleraar aan de Nederlandse Filmacademie, gaf studenten ooit een opdracht waarin sigaret, boek/brief en alcohol expres verboden waren. Die voorwerpen waren decennialang filmtaal geworden: een brandende sigaret, een net gelezen brief of het inschenken van sterke drank stonden symbool voor verveling, verlangen of uitzichtloosheid. Met antirookcampagnes is de sigaret in films grotendeels verdwenen; makers grijpen nu soms naar een hamburger of andere zichtbare overdaad om hetzelfde gevoel te vangen.
Boeken en brieven vervulden een andere, subtielere rol. Een volle boekenkast suggereert een rijk en geleerd leven; een open boek of eentje met een vinger halverwege geeft aan dat iemand leest en dus weet heeft — een beeldspraak die weinig extra verklaring vraagt. Een brief in de hand verduidelijkt vaak zoeken naar antwoorden, verlangen of de aanzet tot verdriet en berusting. Omdat zulke details in één blik veel kunnen communiceren, zijn die props waardevol voor scenarioschrijvers.
De laatste jaren leken boeken uit beeld te raken; wie leest er nog fysiek? Volgens columnist Gerard Wolters is die neergang nu gekeerd: onder jongeren wint het papieren boek weer aan populariteit en het openlijk lezen — in de trein of staand in de bus, boek in de hand — is terug als hippe houding. Voor scenaristen is dat goed nieuws: het lezen kan weer als zichtbaar motief in scènes worden ingezet zonder dat het geforceerd voelt. Wolters geeft met een knipoog praktische observaties (zoals dat de vinger liefst halverwege moet zitten) en vertelt een persoonlijke anekdote over een eerdere opdracht waarin zijn protagonist vreemde sokken gebruikte als emotioneel attribuut — iets waar Koolhaas blijkbaar van hield. Ook merkt hij dat trends circuleren: wat ooit uit beeld was, kan door veranderende gewoontes en normen weer een plaats krijgen in filmbeeld en publieke ruimte.