Met deze grote ontdekking voegt archeoloog Marco Bakker (43) een nieuw hoofdstuk toe aan de vroegste Friese geschiedenis
In dit artikel:
Archeoloog Marco Bakker (43) ontdekte dat grote delen van Midden‑Friesland veel ouder en intensiever bewerkt zijn dan gedacht: onder de huidige weilanden ligt een uitgebreid cultuurlandschap uit de ijzertijd. Zijn meer dan tien jaar durende onderzoek, dat hij vorige week in Groningen promoveerde, laat zien dat boeren al vanaf de vierde eeuw v.Chr. massaal veen ontgonnen en in gebruik namen voor akkerbouw en veeteelt.
Bakker, opgegroeid in Haskerhorne en opgeleid aan de Rijksuniversiteit Groningen, begon zijn veldwerk als student in 2012 bij een veenterpje in Arkum (Tjerkwerd). Dat leidde tot uitgebreid onderzoek in Midden‑Friesland — onder meer bij Warten, in Harinxmaland (bij Sneek) en de Bullepolder (Blitsaerd) bij Leeuwarden — waar onderzoekers veenterpjes, huisplattegronden (boerderijen van ca. 14–22 m bij 5–7 m), slotenstelsels en vondsten als aardewerk en sieraden aantroffen. Die bewijzen dat bewoners even welvarend waren als de terpboeren langs de kust.
De vondsten tekenen een beeld van grootschalige, georganiseerde ontginning: volgens Bakker onttrokken de boeren wellicht zo’n 57.600 hectare veen langs een boogvormige gordel van ongeveer 80 kilometer lengte, met een breedte van 4–12 kilometer. Ontwatering (sloten, dijken, duikers) was cruciaal en vereiste voortdurend onderhoud; zonder dat onderhoud zakte het land in en ontstond vernatting, waardoor woningen gemiddeld na zo’n 75 jaar werden verlaten en bewoners verder het veen introkken om opnieuw akkers en huizen aan te leggen. Op die manier verschoof het ontginningsgebied door de eeuwen heen, met in de Romeinse tijd een zuidelijke uitbreiding tot aan Akkrum en IJlst.
Economisch waren de boeren veelzijdig: ze verbouwden onder andere vlas, emmertarwe en gerst; later werden de aangeslibde of vernatte akkers ingezet als weiland voor runderen en schapen. Er is aanwijzing voor kleinschalig turfgebruik, maar weinig bewijs voor grootschalige turfwinning. Bij Harinxmaland troffen onderzoekers een locatie voor semi‑industriële pottenbakkerij; bij Wyns werd een 3 kilometer lange kunstmatige wal gevonden, waarvan de omvang op samenwerking en geplande infrastructuur wijst.
De geschiedenis van het gebied kent perioden van bevolkingskrimp en herbevolking. Eind tweede eeuw na Chr. stokte de ontginning, mogelijk door politieke onrust en migratie richting het Romeinse rijk — aanwijzingen zijn potscherven met Friese kenmerken in Vlaanderen en Noord‑Engeland en bronnen over Friezen als grenswachters bij Hadrianus’ muur. Door vertrek vielen dijken en sloten in verval, overstroomde veen, en zette de zee dikke klei af: zo ontstond het huidige klei‑op‑veenlandschap. Pas vanaf de vijfde eeuw en vooral vanaf de tiende eeuw werd het achterland opnieuw grootschalig ontgonnen, nu door immigranten uit Duitsland en Denemarken.
Bakkers onderzoek verandert het traditionele beeld dat Midden‑Friesland pas in de middeleeuwen intensief werd bewoond en bewerkt. Praktische aanbevelingen volgen: voor behoud van het archeologische bodemarchief is blijvend grasland het beste; aanplant van bomen of diepwortelende gewassen kan waardevolle sporen vernietigen. Bakker pleit er ook voor vergelijkbaar onderzoek in Noordwest‑Duitsland, omdat vroegtijdige veenontginning mogelijk breder voorkwam. Zijn resultaten laten bovendien zien dat veel huidige woonwijken in Sneek, Akkrum, Grou en IJlst mogelijk boven vergeten veenterpjes liggen.