Marten uit Hoornsterzwaag werd in 1942 verraden door zijn bloedeigen tante. 'Elke dag vielen er bommen'

donderdag, 30 april 2026 (18:43) - Leeuwarder Courant

In dit artikel:

Betty van der Ven reconstrueerde het oorlogsverhaal van haar vader Marten de Vos en ontdekte dat hij in 1942 niet alleen door de bezetter, maar ook door familie werd verraden. Marten, een smid uit Hoornsterzwaag die kort vóór de oorlog in Lübeck had gewerkt en later als tuinman in Gorredijk werkte, moest zich in augustus 1942 melden bij het arbeidsbureau in Heerenveen. Na een medische keuring door huisarts en NSB-lid Luitzen Dijkstra uit Akkrum kreeg hij te horen dat hij geschikt was en spoedig naar Duitsland moest vertrekken; hem was bovendien verteld dat zijn jongere broer Thomas anders zou worden opgeroepen. Uit angst en onder druk begaf Marten zich naar Kassel, waar hij drie jaar als tramconducteur werkte onder constante dreiging van geallieerde bombardementen en leefde in barakken nabij Schloss Wilhelmshöhe.

De oorlogsjaren lieten diepe sporen achter: Marten liep fysieke ontberingen en levenslange trauma’s op, onder meer door het dagelijks omgaan met vernietiging en doden. Na de bevrijding kwam hij lopend terug uit Kassel en vond een ontwricht thuisfront: zijn vader was overleden, het ouderlijk huis verkocht en bezittingen elders opgeslagen. Marten en zijn broer vroegen zich af waarom zij opeens waren opgeëist; in 1947 leidde onderzoek tot een schokkende verklaring: twee anonieme brieven aan de bezetter hadden hun oproep veroorzaakt, en de afzender bleek hun tante Neeltje de Vos te zijn. Zij had, vermoedelijk uit jaloezie omdat haar eigen kinderen al tewerkgesteld waren, meerdere mannen aangemeld bij de autoriteiten.

Neeltje werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, geïnterneerd in Westerbork en voor tien jaar van kiesrecht beroofd; wegens goed gedrag keerde ze na ongeveer een jaar terug. De familie bleef deels om haar heen staan—een vertrouwensbreuk die langdurig resoneerde. Thomas vond het moeilijk contact te houden; Marten toonde zich aanvankelijk vergevingsgezinder en bezocht haar later in het ziekenhuis. Desondanks bleef de woede van Marten vooral gericht op dokter Dijkstra: dat Dijkstra nooit voor een tribunaal is verschenen, kon hij niet accepteren. Een memorabel moment uit het familiegeheugen is 25 april 1964, toen Marten op de radio hoorde dat Dijkstra een dag eerder om het leven was gekomen; zijn dochter herinnert zich nog zijn reactie: “Nou, eindelijk. Die man zie ik gelukkig nooit meer...”

Na de oorlog kreeg Dijkstra wel korte tijd beperkingen opgelegd door de KNSB: een wedstrijdverbod van vijf jaar en levenslange uitsluiting van bestuurlijke functies. Recent onderzoek (2023) door Jurryt van de Vooren en Marnix Koolhaas concludeerde echter dat die sancties op de beschikbare bewijzen niet terecht waren en sprak postuum eerherstel uit. Volgens die onderzoekers had Dijkstra zich mogelijk uit praktische redenen aangesloten bij de NSB—zijn vrouw was met een Duitse soldaat vertrokken en de advocaat raadde lidmaatschap aan om zijn kansen op voogdij te verbeteren—en zou hij zijn medische keuringen voor de bezetter hebben gestaakt toen de Arbeitseinsatz verplicht werd. Dat oordeel roept bij Betty verontwaardiging op: voor haar blijft Dijkstra “fout” en onrecht aangedaan tegenover haar vader.

Betty heeft jarenlang stukken en familieverhalen bijeengezocht om het levensverhaal van Marten vast te leggen. Ze beschrijft hoe de oorlog zijn karakter tekende—verloofd na de oorlog, maar jaren lang prikkelbaar en snel boos—en hoe pas een bezoek aan Kassel in de jaren zestig hem enige rust gaf. Hoewel het familiedossier over de verraderlijke tante en de rol van Dijkstra voor haar veel vragen heeft beantwoord, blijft de zaak ook persoonlijk en moreel beladen: rond Dodenherdenking halen de herinneringen en de woede van haar vader haar nog steeds in. Deze zaak illustreert hoe samenwerking, druk en persoonlijk motief tijdens de bezetting op kleine schaal verwoestende gevolgen konden hebben, en hoe ingewikkeld het is om achteraf schuld en verantwoordelijkheid te duiden.