Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. 'Dit verdient niet de schoonheidsprijs'
In dit artikel:
Op 11 juni 2025 viel de Dienst Speciale Interventies een gezinshuis op het platteland in Friesland binnen. Daar sliepen drie jongemannen en -vrouwen van 8 tot 19 jaar die soms al jaren in dit gezinshuis woonden. De gezinshuisvader werd gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij terreuractiviteiten; later bleek het pand vol wapens en munitie te liggen, met in een loods flessen castorbonen en een handleiding om ricine te maken. Ook werden documenten aangetroffen waarin geweld tegen de staat werd gelegitimeerd. Het onderzoek maakte deel uit van het grotere Barracuda-dossier rond vermeende aanslagvoorbereidingen tijdens de NAVO-top in juni 2025. Volgens justitie zou de gezinshuisvader hierin een centrale rol spelen; hij zat ruim acht maanden in voorarrest en kon later onder voorwaarden huisarrest krijgen.
Na de inval stonden opvang- en jeugdzorginstanties voor een lastige afweging: direct uitplaatsen zou traumatiserend zijn en er waren weinig alternatieven, bovendien leken de kinderen gehecht en stabiel in het gezinshuis. Omdat er aanvankelijk nauwelijks informatie van politie en OM kwam — alleen de mededeling dat de kinderen niet direct in gevaar waren — besloten de betrokken partijen (de regionale gezinshuisorganisatie, Sociaal Domein Fryslân, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, het Regiecentrum en de gemeente Leeuwarden) de kinderen voorlopig te laten blijven. De hoofdaannemer van de gezinshuisorganisatie, die de plaatsingen coördineert en contact met gemeenten onderhoudt, zegt dat zijn organisatie tijdens huisbezoeken geen signalen van gevaar heeft opgevangen.
Pas rond de pro-formazitting in september kreeg de hoofdaannemer te horen wat er precies was gevonden. Uit communicatie van de advocaat bleek dat ook wapens in keukenkastjes lagen — boven de afzuigkap en vlak bij de bijkeukendeur — plekken die lang niet altijd afgesloten waren. Bovendien waren er wapens aangetroffen in een badkamerkast (op slot), in een auto en in een container. Voor de zorgondernemer veranderde dat het beeld: ook al zouden kinderen niet bij sommige opslagplaatsen kunnen komen, de vondst maakte duidelijk dat er wél veiligheidsrisico’s bestonden. Daarnaast was er zorg over het publieke karakter van de zaak nadat bij een zitting duidelijk was geworden dat het om een gezinshuis ging; men vreesde een mediacircus dat de kwetsbare positie van de kinderen zou versterken.
De hoofdaannemer beëindigde daarop het contract met de gezinshuisouders en zette een traject in voor plaatsing van de drie jongeren op andere locaties, met begeleide overgangen. Die verhuizingen vonden uiteindelijk in februari en maart plaats, zo’n acht maanden na de inval. Sommige kinderen konden worden herenigd met hun biologische ouders; anderen zijn naar nieuwe plekken gegaan. De gezinshuismoeder moest beloven dat haar man niet zou terugkeren naar het huis. De zorgaanbieder erkent dat het proces niet vlekkeloos verliep en dat men liever eerdere plaatsing had gezien, maar stelt dat zo veel mogelijk is gedaan om de belangen van de kinderen te dienen.
De zaak riep vragen op over informatie-uitwisseling en toezicht. De hoofdaannemer zegt verbaasd te zijn dat hij eerder wél een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kreeg voor beide ouders, terwijl de gezinshuisvader volgens justitie al in beeld was bij politie en AIVD vanwege contacten met radicaliserende mannen en activiteiten rond de handel in wapens. Justitie weigerde op vragen over de VOG en de communicatie met de hoofdaannemer te reageren uit privacyoverwegingen. Ook blijkt het paar niet ingeschreven bij het Kwaliteitsregister Jeugd, iets wat volgens de zorgondernemer wel wenselijk was; dat zou extra toezicht en scholing mogelijk hebben gemaakt.
Dit incident volgt op eerder opgespoorde misstanden in andere gezinshuizen in het noorden, waar sprake was van mishandeling of acute uithuisplaatsing. De betrokken instanties benadrukken dat de veiligheid van de jongeren steeds leidend was en dat gedragswetenschappers de overgangen hebben begeleid. Tegelijkertijd laat de zaak zien hoe complex de balans is tussen hechtingsbehoud voor kwetsbare kinderen en het beschermen van hun veiligheid als blijkt dat zorgverleners mogelijk een gevaarlijke levensstijl of extremistische contacten hebben. Voor beleidsmakers en jeugdzorginstanties roept het vragen op over betere informatie-uitwisseling met justitie, strengere registratie en toezicht op gezinshuizen en de schaarsheid van veilige alternatieven voor plotselinge herplaatsing.