Kijken en bekeken worden: wat is toch die betovering van Hendrik Werkmans voerman?
In dit artikel:
Een klein, krachtig schilderij van Werkman — het portret van de voerman — zette al in 1924 collega‑kunstenaars van De Ploeg op het verkeerde been en maakt nog altijd diepe indruk. De auteur beschrijft hoe hij het werk voor het eerst in werkelijkheid zag in het huis van Caty Hansen, waar in een krappe slaapkamer topstukken van haar vader Job Hansen en van tijdgenoten als Jan Wiegers, Jan Altink en Werkman bewaard lagen. Tijdens de voorbereidingen voor een grote Werkman‑tentoonstelling in het Groninger Museum (1995) haalde hij die ingeklemde werken voorzichtig tevoorschijn; de confrontatie met de originelen was voor hem een openbaring.
Wat het voerman‑portret zo aangrijpend maakt, legt de tekst uit aan de hand van stijl en materiaal: onder invloed van Jan Wiegers en diens kennismaking met Kirchner ontstond in Groningen een directe, felle schildertrant die afstand nam van academische fijnheid. Werkman gebruikte een goedkoop, ruw effect gevend medium — bijenwas opgelost in benzine — en schilderde met lange slepende penseelstreken. Door motieven als kisten en wagen hoog in het vlak te plaatsen, verschuift de blik onvermijdelijk naar het hallucinante hoofd met zijn koolzwarte, priemende ogen; die ogen blijven volgens de schrijver dwars door hem heen kijken.
Historische waardering blijkt uit reacties van tijdgenoten (onder meer van Wobbe Alkema) en uit de recente museumgeschiedenis: na bemiddeling kwam het werk in langdurig bruikleen bij Museum Belvédère, waar het vaak te zien is. Directeur Han Steenbruggen bespreekt dit werk als onderdeel van de collectie; zijn column belicht niet alleen de formidabele visuele kracht van het schilderij, maar ook de persoonlijke en curatoriële geschiedenis rond het bijeenbrengen en tentoonstellen van Groningense moderne kunst.