Keihard vloeken bij het ziekenhuis | column Jantien de Boer
In dit artikel:
De verteller vertelt in de ik‑vorm over een korte maar felle uitbarsting van woede bij het verlaten van zijn auto: hij sloeg met kracht de portier dicht en vloekte herhaaldelijk. De aanleiding ligt twee dagen eerder, toen een ambulance vanuit Harlingen in elf minuten zijn erf opreed; hij had de voordeur opengezet, de dieren binnen gedaan en alles leek onder controle — er was niemand overleden en ook de ambulancebroeders bleven ongedeerd.
Op het ziekenhuisterrein loopt het deze keer totaal fout: vanaf de slagboom staat een file, automobilisten parkeren half op twee plekken en blokkeren elke doorgang. De schrijver manoeuvreert wanhopig tussen opgefokte auto’s, een verkeerd geparkeerde kei, en een tegenligger die een oudere dame blijkt te zijn. Zelfs een vrije plek bij de dialyse lijkt onbereikbaar omdat andere wagens hem naar de uitgang “duwen”. De frustratie blijft hangen: hij scheldt nog als hij langs de openbare weg staat en voelt de prikkel in lift en winkelstraat.
In de ziekenhuisgang verandert de toon: kleine online beelden — een miereneter in een opvang, een filmpje van kinderen die huilen van geluk bij het krijgen van een puppy, begeleid door Michael Jackson — verzachten hem. Hij vertelt drie mensen bij een kamerdeur dat er geen parkeerplaats te vinden is; ze knikken begripvol, maar dat begrip voelt half gemeend. De tekst schetst zo een kort maar herkenbaar beeld van dagelijkse ergernis tegenover momenten van onverwachte tederheid.