Kapitein | Column Joost Oomen
In dit artikel:
Op woensdag voer de kapitein van een Maltees containerschip onverhoeds door de Straat van Hormuz zonder krijgsmachtelijke bescherming of extra beveiliging en werd getroffen. Hij nam geen bijzondere voorzorgsmaatregelen, betaalde geen “afkoop” of monteerde geen pantser; hij handelde simpelweg volgens zijn routinetaken: de lading afleveren en doorgaan. Die daad diende de schrijver als ingang voor een bredere beschouwing over hoe mensen in oorlogstijd vasthouden aan alledaagse rituelen.
Tegen de verwachting in blijven mensen bij calamiteiten kleine, vertrouwde handelingen uitvoeren: van het maaien van gras tijdens de Tweede Wereldoorlog (een jeugdvraag van de auteur) tot vluchtelingen die hun tenten vegen, oudere vrouwen die boodschappen doen in verwoeste Oekraïense steden, mensen die kruiswoordpuzzels leggen in schuilkelders in Tel Aviv en kappers die hun zaak draaiende houden in Teheran. Zulke routines geven stabiliteit en vormen een vorm van veerkracht: ze helpen mensen niet bezwijken onder chaos.
Maar diezelfde hardnekkigheid heeft ook een keerzijde. Door te normaliseren wat het verdriet en de onveiligheid veroorzaakt, ontstaat afvlakking: een afgestomptheid voor het oorlogsleed waardoor de daders het gevoel krijgen dat hun daden geen wezenlijke repercussies hebben. De auteur pleit er daarom voor dat buitenstaanders wél boos, rouwend en verontwaardigd mogen zijn — als representanten van degenen die geen ruimte hebben voor emotie omdat ze moeten blijven functioneren.
De slotboodschap is scherp: wees niet te comfortabel met die uiterlijke normaliteit. Heb medeleven en verontwaardiging voor wie moet “doorgaan” — zoals die kapitein die geen tijd had om stil te staan omdat de containers afgeleverd moesten worden.