Kabinet moet deel NAVO-budget besteden aan onderhoud bruggen en wegen
In dit artikel:
Ministers Vincent Karremans en staatssecretaris Anne Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) luidden recent de noodklok over een omvangrijk achterstallig onderhoud aan Nederlandse infra: veel bruggen, viaducten en andere kunstwerken uit de jaren ’60 en ’70 zijn gelijktijdig aan groot onderhoud toe. De komende jaren is voor dat werk zo’n 80 miljard euro nodig, terwijl de spaarpotten — vooral het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds — veel minder bevatten. Volgens het ministerie ontstaat daardoor een tekort van circa 34 miljard voor wegen, vaarwegen en waterwerken en ongeveer 20 miljard voor het spoor.
Het meeste gaat om regulier levensduuronderhoud: doordat veel objecten ongeveer even oud zijn, ontstaat nu een piek in vervangings- en herstelwerk. Dat was voorspelbaar en had door spreiding vooraf voorkomen kunnen worden; in het verleden is er echter te weinig structureel gereserveerd omdat onderhoud duur en onzichtbaar is en politiek vaak achteraan belandt.
De recent afgesproken NAVO-norm biedt een oplossing: het totaaldoel om uitgaven te verhogen van 2 naar 5 procent van het bbp is verdeeld in 3,5 procent voor de defensiebegroting en 1,5 procent voor activiteiten die defensie versterken — zoals cyberveiligheid, robuuste ict en ook infrastructuur die mobiliteit van materieel mogelijk maakt. Het kabinet heeft aangekondigd strikt aan die norm te willen vasthouden. De hoofdredactie vindt dat een flink deel van die 1,5 procent terecht ingezet kan worden voor onderhoud van vitale infrastructuur. Dat is geen creatief boekhouden, maar praktisch: defensiematerieel is weinig waard als het niet vervoerd kan worden, en de defensie-uitgaven voor wapens en personeel zijn bovendien niet meteen volledig te benutten. Investeren in infrastructuur levert bovendien ook in vredestijd maatschappelijke baten. Het kabinet wordt opgeroepen deze kans te grijpen.