Jan Roos maakt weemoed voelbaar over de dingen die verdwijnen met de tijd
In dit artikel:
Han Steenbruggen, directeur van Museum Belvédère, reflecteert op de keuze om een nieuwe tentoonstellingscyclus te beginnen met werk van Jan Roos. Toen hij in 2008 Thom Mercuur opvolgde, stelde hij een langetermijnvisie op waarbij tentoonstellingen van regionale, nationale en internationale strekking elkaar afwisselen, zodat de voorraad aan Friese meesterwerken niet te snel uitgeput zou raken. Nu, ruim twintig jaar later, zijn alle relevante Friese kunstenaars binnen het museumbeleid aan de beurt geweest; daarom verdient een van de vroegste vertegenwoordigers opnieuw een grote presentatie.
De tentoonstelling die Steenbruggen voor ogen had, concentreert zich uitsluitend op de monumentale doeken die Roos op scheepsverpakkingspapier maakte, geschilderd in de open lucht en blootgesteld aan weer en wind. De voorstellingen halen hun onderwerpen uit Harlingen — werf, havenhoofden, steigers, visafslagen — maar het programma kiest bewust voor een sobere presentatie: één enorm schilderij per wand, zonder opsmuk of uitgebreide tekst, zodat de kijker rechtstreeks met het werk geconfronteerd wordt.
Steenbruggen beschrijft hoe deze grote doeken het blikveld opeisen en telkens weer een sterke indruk maken; zijn voorkeur wisselt per moment tussen werken met duidelijk herkenbare taferelen en werken die vooral als abstracte ritmische composities functioneren. Als exemplarisch werk bespreekt hij Werf (1995), een weergave van de scheepshelling van de voormalige werf Welgelegen, vlakbij Roos’ woonplek destijds. In dat schilderij geven een smalle waterstrook en een kadewand net genoeg aanknopingspunten om het onderwerp te situeren, terwijl de aandacht vooral uitgaat naar de ritmiek van verfsporen en gestapelde vormen. De combinatie van brede, schetsmatige kwaststreken in donkere, grauwe tonen en het verweerde verpakkingsmateriaal roept zowel materiaaliteit als melancholie op — een beeld van vergankelijkheid dat tegelijk sterk geordend is door verticalen, horizontalen en opgaande/neergaande lijnen.
Dit stuk is onderdeel van Steenbruggens maandelijkse serie over een werk uit de collectie; het is zijn 29ste bijdrage.