Iraniër Sander Terphuis leeft tussen hoop en vrees. 'Ik weet het niet met die wispelturigheid van Trump'
In dit artikel:
Sander Terphuis (53), geboren als Ahmad Qeleich Khany, vluchtte in 1990 uit Iran en woont inmiddels met zijn vrouw Sjoukje in een vrijstaand huis in Feanwâlden. Vanuit die Friese woning — waar Iraanse koekjes en een Perzisch tapijt herinneringen levend houden — volgt hij met pijn en hoop de recente escalatie tussen Iran, de Verenigde Staten en Israël die eind februari uitbrak. Terphuis combineert persoonlijke betrokkenheid met ervaring: hij studeerde rechten en filosofie in Nederland en werkte jarenlang bij de rijksoverheid.
Veel van zijn familie leeft nog in Iran; contact is moeilijk door internetblokkades maar deels mogelijk omdat zij nu in een dorp in het noordoosten verblijven. Zijn broer woonde in Teheran, maar de hoofdstad is volgens familieleden veranderd in een spookstad: winkels en verhuurinkomsten liggen stil, en de dagelijkse levensonderhoud is zwaar getroffen. Terphuis maakt zich zorgen over medicijntekorten en stijgende prijzen, die vooral de gewone bevolking raken.
Politiek en veiligheidskundig vreest hij dat, als de VS en Israël zich terugtrekken, de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) de zeggenschap zal claimen en Iran in een militaire dictatuur verandert. Dat zou volgens hem leiden tot versterkte repressie tegen minderheden, christenen, LHBTI’s en vooral vrouwen, met mogelijk terugkeer naar strengere kledingsvoorschriften. Hij benadrukt het verschil tussen het historische Perzië — cultuur, poëzie en wetenschap — en het door het regime opgelegde religieuze bewind.
Terphuis hekelt het gebrek aan doortastend optreden van westerse leiders in het verleden en pleit voor gerichte maatregelen tegen de IRGC, zoals bevriezing van tegoeden en strafrechtelijke stappen tegen leiders. Hij juicht recente stappen toe, maar vindt dat die jaren eerder hadden moeten komen. Voor een duurzame oplossing ziet hij westerse steun als cruciaal bij een overgangsperiode en snelle, vrije verkiezingen; hij noemt in dat kader de in ballingschap levende Reza Pahlavi als mogelijke tussenpaus.
Tegelijk blijft hij hoopvol over het Iraanse verzet: massale protesten tonen volgens hem het verlangen naar vrijheid. Persoonlijk koestert hij herinneringen aan Teheran en hoopt hij op een dag zijn familie Friese natuur en tradities te laten zien, zoals het eerste natuurijs en het schaatsen.