In het coalitieakkoord worden sommige knopen doorgehakt, andere in de grondverf gezet
In dit artikel:
Het nieuw gesloten coalitieakkoord van D66, VVD en CDA bevat beslissingen die tot voor kort onbespreekbaar leken: door de oorlog in Europa moeten de defensie-uitgaven sterk omhoog, wat andere publieke uitgaven naar achteren duwt. Concreet wil de coalitie structureel ruim 19 miljard euro extra voor defensie uittrekken om het leger uit te breiden van circa 80.000 naar 122.000 personen en te voldoen aan de NAVO-afspraak richting 3,5% van het bbp. Die rekening wordt niet doorgeschoven naar de toekomst, maar elders binnen de begroting gezocht.
Het thema verantwoordelijkheid loopt als een rode draad door het betoog van econoom Gerrit de Jong. Hij grijpt terug op een uitspraak van CDA-leider Henri Bontenbal (bij de Bob Goudzwaardlezing): verantwoordelijkheid moet weer centraal komen te staan. In dat licht noemt hij de voorgestelde ‘vrijheidsbijdrage’—een nieuwe heffing voor burgers en bedrijven die naar schatting ruim vijf miljard euro moet opleveren—een vorm van thuisaansprakelijkheid: de burger moet direct bijdragen aan de defensievergroting.
Op sociaal terrein bevat het akkoord aanzetten die lijken op modellen uit Denemarken en Duitsland: meer nadruk op een ‘werk-naar-werk’-infrastructuur en maatregelen om uitkeringsafhankelijkheid te beperken. De Jong herinnert aan twee voorbeelden uit vroegere parlementaire bezoeken: Denen en Duitsers die werkloosheid en arbeidsongeschiktheid primair door werkgevers, vakbonden en marktregelingen laten oplossen, waardoor langdurige uitkeringsafhankelijkheid veel minder voorkomt. Het SER-advies van 2021 wordt in het akkoord genoemd, maar De Jong vindt dat er te weinig concrete uitvoering is en roept sociale partners, zoals CNV, op verantwoordelijkheid te nemen voor een fatsoenlijk ontslagrecht en re-integratie van de ongeveer 850.000 arbeidsongeschikten.
Tegelijk pleit De Jong kritisch voor oog voor wat volgens hem te licht wordt aangepakt: inkomens- en toeslagenstelsels die zes miljoen mensen raken, de ‘gratis’ kinderopvang die vooral instellingen bevoordeelt (en daarmee deels investeerders), en het uitblijven van een grondige belastinghervorming. Hij wijst op een scheefheid in het woonfiscaliteitssysteem: hypotheekrenteaftrek blijft behouden (logisch omdat kosten aftrekbaar zijn), maar de bijtelling voor zelfbewoners (huurwaarde) is extreem laag gesteld op 0,35% in plaats van een realistischer 3,5%. Vermogenswinstbelasting komt ter sprake, maar een fundamentele herziening van het stelsel ontbreekt volgens hem.
Ook onderwijs- en arbeidsaanpak worden niet ver genoeg aangescherpt; het akkoord wil meer technische studenten, maar beperkt zich veelal tot voorlichtingsmaatregelen in plaats van concrete stimulansen zoals studiefinanciering gekoppeld aan latere inzet in technische beroepen. Op begrotingsvlak heeft de VVD zich volgens De Jong doorgezet: Nederland houdt vast aan de Europese spelregels voor tekort (max. 3%) en schuld (max. 60% bbp). Daarmee vervliegt de kans op Europese gezamenlijke obligaties (eurobonds) voor gemeenschappelijke financiering en vervalt de noodzaak om boekhoudkundige spelregels te veranderen om meer overheidsinvesteringen mogelijk te maken.
Tot slot juicht De Jong een nieuwe impuls naar ontwikkelingssamenwerking toe, al noemt hij die waarschijnlijk te klein om grote problemen te keren; toch ziet hij het als een moreel teken van beschaving tegenover het wereldwijde effect van gestaakte hulp.